Creatieve ontwikkeling

'Ieder kind is een kunstenaar. De moeilijkheid is er een te blijven als je groot wordt' (Pablo Picasso)

De creatieve ontwikkeling van mensen

Kinderen zijn van nature creatiever dan volwassenen. Dat stel Robinson tenminste.[1] Hij verwijst naar een onderzoek dat aantoont dat vierjarigen meer creatief zijn dan twaalfjarigen. Ook schrijft hij dat creativiteit wordt afgeleerd binnen het onderwijs. Er zijn ook mensen die daar anders over denken; zij zeggen dat creativiteit kan worden ontwikkeld met doorzettingsvermogen en scholing.[2] Natuurlijk weten we ook dat scholing niet de enige bepalende factor is. De achtergrond van het kind (ouders, omgeving), de geïnvesteerde tijd, aandacht en doorzettingsvermogen zijn allemaal van invloed.[3] Talenten spelen een rol[4], net als de ontwikkeling van de hersenen en de sociaal en fysieke omgeving.[5] Er kunnen tussen kinderen grote onderlinge verschillen bestaan. Deze paragraaf richt zich niet op het tempo waarin mensen zich ontwikkelen, maar op de vraag wat bekend is over de manier waarop mensen zich creatief gezien ontwikkelen. Zijn er ontwikkelingslijnen te herkennen? Omdat stadia van ontwikkeling en eigenschappen vaak met elkaar worden verbonden, is eerst de informatie beschreven over die ontwikkelingsstadia. Daarna zijn twee theorieën over eigenschappen van creatieve mensen opgenomen.  

Jonge kinderen zijn vaak creatieve denkers. Misschien wel omdat ze nog niet weten hoe de wereld in elkaar zit. Dan lijkt alles mogelijk. Het is de kunst om die creatieve denkvaardigheden (ofwel de synthetische vaardigheden) aan te blijven spreken en te verdiepen, wanneer kinderen ouder worden.

In Cultuur in de Spiegel in de praktijk (SLO)[6] zijn leeftijdsprofielen beschreven over de ontwikkeling van culturele basisvaardigheden. Die bieden aanknopingspunten voor het inzicht in de creativiteitsontwikkeling. Deze informatie is hierna in beknopte vorm overgenomen. Het gaat om een globale indicatie; ieder kind ontwikkelt zich in eigen tempo. Wat opvalt is de beschrijving van de verschillende soorten spel, die worden beschouwd als de motor van ontwikkeling van het jonge kind.

  •  4-5 jaar – van zelfwaarneming naar zelfverbeelding        

Jonge kinderen kunnen voor het eerst persoonlijke en specifieke herinneringen opslaan. Het is goed samen met de kinderen herinneringen op te halen om het referentiekader van het kind te versterken en uit te breiden. De kinderen leren terug te kijken, maar leren zich ook een voorstelling te maken van de toekomst.
Nabootsing, bijvoorbeeld door samen een verhaal uit te beelden, verbetert het vermogen om verschillende perspectieven in te kunnen nemen.

Er zijn verschillende relaties gevonden tussen het vroege doen-alsof spel en latere creativiteit. Door te spelen met de realiteit oefenen kinderen vaardigheden die hen later kunnen helpen om bijvoorbeeld problemen op te lossen en divergent te denken.

  • 5-7 jaar – Zelfverbeelding

Het socio-dramatische spel baseert zich op het samenspelen. Kinderen gaan verbeeldingen met elkaar delen en uitbreiden. In het constructieve spel gaan kinderen hun omgeving actief vormgeven door iets te maken. Zij leren de omgeving zelf te maken en te manipuleren. In hun spel kunnen kinderen situaties oefenen zonder dat dit serieuze gevolgen heeft. Zij kunnen denken en handelen buiten de beperkende kaders van de realiteit om.         

  • 7-9 jaar – van zelfverbeelding naar zelfconceptualisering          

 Kinderen gebruiken steeds meer abstracte taal die verwijst naar de waarden, eigenschappen, meningen en houdingen van zichzelf en van anderen. Ze leren hun conceptuele denkvaardigheden, zoals denken over sociale normen en relaties, in te zetten. Het is de periode van de toenemende zelfconceptualisering

De zelfverbeelding is vaak nog sterk, maar ook naar binnen gekeerd. Daardoor is dat minder zichtbaar voor anderen. Een voorbeeld hiervan is het bedenken van complete fantasiewerelden. Die zijn een voortzetting van de verbeelding uit de vroegere kindertijd en komen waarschijnlijk voor bij 1 op de 10-30 kinderen. Vaak wordt het spel geheim of gedeeltelijk geheim gespeeld, alleen of met hele goede vrienden.  Deze vorm van doen-alsof-spel is zeer persoonlijk en helpt het kind om de wereld beter te begrijpen en nieuwe kennis op te doen. Vaak worden echte situaties in de fantasiewereld nagespeeld. Het spel heeft vaak een verhalende (narratieve) structuur en een systeem van regels die in de fantasiewereld gelden. Vaak worden er voorwerpen gebruikt om de wereld vorm te geven.

  • 10-14 jaar – zelf-conceptualiseren wordt dominanter

In deze periode hebben kinderen veel belangstelling voor de werkelijkheid om hen heen. Wat verbeeld is moet echt lijken en aansluiten bij het beeld wat de leeftijdsgroep, al dan niet gezamenlijk, van de realiteit heeft. Verbeeldingen kunnen ook extreem fantastische elementen hebben, maar de verbeelde waarden (vriendschap, angst, moed, liefde, vertrouwen) moeten herkenbar zijn.
Fantasiefiguren hebben stereotype kenmerken. Het talige denken domineert en maakt het mogelijk waarnemingen en verbeeldingen te integreren tot concepten, de beginnende concepten en ideeën meer te verhelderen en te verscherpen.

Creatieve, originele mensen blijken vaak veel inzicht te hebben. Inzicht in de vorm van  kennis en vaardigheden om het leergedrag te controleren en aan te sturen, wordt metacognitie genoemd.[7] Metacognitie zou voor ca. 40% de resultaten bepalen; meer dan intelligentie, motivatie of andere factoren.

De ontwikkeling van die metacognitieve vaardigheden start ongeveer op 8 jarige leeftijd. De meest belangrijke periode is die van de middelbare school. Als leerlingen jonger zijn dan 14 jaar blijken de metacognitieve vaardigheden van leerlingen erg specifiek te zijn voor taken en domeinen: zo wordt lezen voor geschiedenis als iets anders beschouwd dan het lezen van een wiskundeprobleem. Als leerlingen zich verder ontwikkelen, dan leren ze die verschillende taken en domeinen juist te overstijgen. Binnen elke leeftijdsgroep zijn grote individuele verschillen tussen de leerlingen te zien. Sommigen kunnen hun leergedrag heel goed aansturen, anderen doen dit amper of niet en hebben daarbij begeleiding nodig. De instructie en training van metacognitieve vaardigheden kan heel succesvol zijn. Daarvoor moet het zijn ingebed in een taakcontext, er moet uitleg gegeven worden over het nut en er is langdurige training nodig. Bij die training kunnen het beste de mensen die volledige metacognitieve instructie nodig hebben gescheiden worden van de mensen die het wel kunnen als ze worden aangespoord, maar het niet spontaan doen.[8]

Een kunstenaar maakt verschillende stadia door in zijn of haar kunstenaarschap. Howard Gardner[9] heeft drie stadia ontdekt bij kunstenaars, die ieder meestal een jaar of tien duren. De eerste tien jaar is een kunstenaar meestal bezig met het leren beheersen van zijn ambacht. Daarna richt hij zijn aandacht op zijn eigen zeggenschap. In de laatste fase vindt integratie plaats met het werk van vakgenoten en de tradities binnen de kunst.[10] 

Stadia van ontwikkeling en eigenschappen worden vaak met elkaar verbonden.[11] Beschrijving en beoordeling van competenties binnen het kunstvakonderwijs zijn daar vaak op gebaseerd.

Christophe[12] noemt zes eigenschappen waaraan creatieve personen te herkennen zijn. Zijn beschrijving is hier letterlijk overgenomen

  1. Een sterke inzet voor de persoonlijke esthetiek – Makers hebben een hoge tolerantie voor complexiteit. Ze houden van de uitdaging die geboden wordt door het worstelen richting een oplossing of synthese.
  2. Het uitblinken in het vinden van problemen – Wetenschappers hechten aan goede vragen, omdat ze leiden tot ontdekkingen en creatieve oplossingen: tot goede antwoorden.
  3. Mentale beweeglijkheid – Helpt creatieve mensen om nieuwe perspectieven en benaderingen te vinden voor problemen. Creatieven hebben een sterke neiging om te denken in tegenstellingen. Ze denken vaak in metaforen en analogieën en stellen overal vragen bij.
  4. Een bereidheid om risico’s te nemen en de mogelijkheid om mislukkingen te accepteren als onderdeel van de creatieve zoektocht – Deze mensen laten ook de bekwaamheid zien om te leren van hun fouten. Door te werken aan de rand van hun competenties; waar de mogelijkheid van mislukking schuilt, hebben mentale risiconemers de beste kansen creatieve resultaten te boeken.
  5. De bekwaamheid niet alleen hun eigen ideeën of projecten te beoordeIen, maar ook de kritiek op te zoeken – Objectiviteit betekent meer dan geluk of talent. Het betekent je ego loslaten, advies zoeken bij vertrouwde collega’s en het testen van de eigen ideeën.
  6. Een grote innerlijke motivatie – Makers zijn uit zichzelf betrokken: niet voor schoolcijfers of voor loonstrookjes. Zij halen hun genot en tevredenheid uit de uitdaging van het werk zelf.

Lucas, Claxton en Spencer[13] onderscheiden vijf andere houdings- en gedrags-kenmerken die een rol spelen bij creatieve activiteiten:

  • Nieuwsgierigheid
    Deelgebieden: vragen stellen, onderzoeken en verwonderen, kritisch zijn over aannames.
  • Doorzettingsvermogen
    Deelgebieden: niet opgeven bij moeilijkheden, anders durven zijn, onzekerheid verdragen
  • Fantasie  (verbeelding)
    Deelgebieden: spelen met mogelijkheden, verbindingen leggen, intuïtie gebruiken
  • Kunnen samenwerken
    Deelgebieden: producten delen, feedback geven en ontvangen,  doeltreffend samenwerken.
  • Discipline bezitten
    Deelgebieden: technieken ontwikkelen, kritisch reflecteren, maken en verbeteren.


[1] Robinson, 2006.

[2] Seifert, Meyer, Davidson, Patalano & Yaniv (1995)  in van de Kamp et al., 2012

[3] Van de Kamp, Admiraal & Rijlaarsdam, 2012.

[4] Gagné, 2008.

[5] Copini, Van Dorsten, & Ekster, 2014.

[6] Idem.

[7] Veenman, 2013; Ledoux, Meijer, Van der Veen & Breetvelt, 2013.

[8] Veenman, 2013.

[9] Howard Gardner, 1996 (1993).

[10] Christophe, 2006.

[11] Een bekend voorbeeld daarvan is Denken als Leonardo da Vinci; De zeven stappen naar een dagelijkse genialiteit van Michael J.Gelb Baarn 2004 (1999).

[12] Cristophe (2007) gebaseerd op Perkins in Van der Schoot, 2011, p. 43.

[13] Lucas, Claxton & Spencer, 2012.