Beoordelen van creativiteit

In meerdere landen, waaronder Nederland, is geen duidelijk beleid ten aanzien van formatieve of summatieve toetsing van creativiteit. Hoe zit het met de ontwikkeling van meetinstrumenten?

Het beoordelen van creativiteit

In meerdere landen, waaronder Nederland, is geen duidelijk beleid ten aanzien van formatieve of summatieve toetsing van creativiteit. Er bestaan ook nog maar weinig meetinstrumenten voor de 21e eeuwse vaardigheden of, meer specifiek,  voor creativiteit.[1] In de 14 onderzochte landen die wel toetsbeleid op dit gebied hebben, blijkt dat de toetsing van creativiteit vaak onderdeel is van het toetsen van specifieke vakken of van een algehele evaluatie van scholen door de inspectie. Het blijkt moeilijk te zijn om voor creativiteit een gestandaardiseerd toetsprogramma op te stellen. Wat we wel weten, is dat er innovatieve leeromgevingen moeten worden aangeboden. Zonder zo’n leeromgeving is de kans groot dat scores die leerlingen behalen alleen iets zeggen over bijvoorbeeld hun intelligentie, opvoeding of persoonlijkheid en te weinig over de werkelijke creatieve vermogens.[2]

Er is dus nog veel onbekend over een betrouwbare, valide manier van het meten van creativiteit. Moeten producten en/ of processen worden beoordeeld? Gebruik je portfolio’s of meetinstrumenten?

Hierna zijn enkele gedachten over het beoordelen beschreven. Wederom zonder de pretentie te kunnen hebben om compleet te kunnen zijn.

Villalba[3] pleit voor de ontwikkeling van twee frameworks; een die creatieve vaardigheden meet en een die meet wat buiten het individu ligt, maar wel nodig is om creatief te kunnen zijn.Er bestaan twee testen die we in dit kader willen toelichten. De eerste, de Torrance Tests of Creative Thinking (TTCT), meten de creatieve ofwel de synthetische vaardigheden. De tweede richt zich op het creatieve gedrag en houding. Hiermee komen we gedeeltelijk tegemoet aan het pleidooi van Villalba.[4] 

De meest bekende testen om creatief denken te meten zijn de Torrance Tests of Creative Thinking (TTCT). Deze onderscheiden de gebieden verbaal, figuratief, auditief en handelend, zowel voor kinderen als voor volwassenen. Deze testen meten dus enkel het creatief denken (de synthetische vaardigheid). De analytische en praktische vaardigheden worden bij deze testen niet meegenomen, net zo min als de attitude[5], de leeromgeving en de reflectieve vaardigheden[6]. Van deze testen bestaan de oorspronkelijke Amerikaanse en een Spaanse variant. Ze mogen enkel worden afgenomen door geschoolde psychologen.

Een meetinstrument dat het creatieve gedrag en de creatieve houding lijkt te beschrijven, is het instrument van Lucas, Claxton en Spencer (zie ook paragraaf 4). Het instrument kan ingezet worden om de ontwikkeling van leerlingen tussen de 6 en 16 jaar te volgen en te ondersteunen[7]. Er worden vijf factoren onderscheiden; nieuwsgierigheid, verbeeldingskracht, doorzettingsvermogen, discipline en samenwerking. Iedere factor kent drie subfactoren en die kunnen op twee schalen worden gescoord; de mate waarin het gedrag zich voordoet en de kwaliteit van dat gedrag. Het instrument is niet bedoeld om creatieve producten of creatieve processen te beoordelen. Het kan gebruikt worden om formatieve feedback te geven op houding en gedrag.

Afbeelding: instrument voor het meten van creatief gedrag en houding (Lucas, Claxton en Spencer, 2013)

Kritiek op dit meetinstrument is dat het vooral het zichtbare gedrag en de houdingsaspecten meet. Het zegt niets over factoren die wel van belang zijn maar geheel of ten dele onzichtbaar blijven, zoals (parate) kennis, intelligentie, de omgeving en motivatie[8]. Het instrument van Lucas et al. is bedoeld als ondersteuning bij formatieve beoordelingen. Volgens Voogt en Pareja Roblin[9] lijken deze beoordelingsprocedures ook het beste aan te sluiten bij de kenmerken en de aard van 21e eeuwse vaardigheden.

Eerder is gesproken over metacognitieve vaardigheden. Deze kunnen het beste tijdens de taakuitvoering gemeten worden met behulp van hardopdenkprotocollen[10]. Qua validiteit zijn die in het algemeen beter dan vragenlijsten om metacognitie te meten. Voor een algemeen oordeel over metacognitie hebben vakonafhankelijke instrumenten de voorkeur[11]. Veenman[12] vindt het hardop denken naast het observeren goede technieken om metacognitie te meten, maar wijst daarbij wel op de tijdsinvestering bij individuele afnamen.

Van der Kooij[13] heeft een duidelijke mening over het meten van creativiteit. Goed meten vind hij onmogelijk en zou schijnzekerheden creëren. Dat komt, in zijn ogen omdat creativiteit zich op allerlei manieren kan manifesteren. Hij stelt als voorbeeld dat een test die zich richt op het meten van creativiteit binnen beeldende activiteiten geen informatie geeft over de talige creativiteit van dezelfde persoon. Testen zouden ook in zijn ogen enkel gebruikt moeten worden als hulpmiddel om te bewijzen of bevestigen wat men al meent waar te nemen. Jonker[14] spreekt over feedback; wat gezien kan worden als een vorm van formatieve beoordeling,  zowel op het proces als het product, aan individuen en aan teams. Feedback op de persoonlijke eigenschappen van de student met zijn eigen handschrift en werkwijzen, en op  zin creërende, ambachtelijke en reflectieve competenties. Dit maakt overigens ook dat leermethoden en technieken in het kunstonderwijs verre van standaard zijn, omdat ze steeds afhankelijk zijn van de toepassing ervan per persoon, per groep en per proces.

Als laatste gedachte bespreken we hier de noodzaak van actieve betrokkenheid van leerlingen bij de beoordeling[15]. Leerlingen zouden moeten leren om de kwaliteit van de eigen leerproducten en processen (zelfbeoordeling) en die van medeleerlingen (beoordeling van peers) te beoordelen. Het laatste woord over het toetsen van creativiteit is hiermee beslist niet gezegd, omdat in verschillende internationale projecten de vraag naar die meetinstrumenten speelt[16].


[1] Ledoux, Meijer, Van der Veen & Breetvelt, 2013.

[2] Idem.

[3] Villalba, 2010.

[4] Zhao, Seibert  & Hills (2005) maken bij het meten van ondernemerschap wel onderscheid tussen het creatief denken en andere vaardigheden die meer in de buurt lijken te komen van praktische en analytische vaardigheden. Zij onderscheiden het identificeren van (zakelijke) mogelijkheden, het creëren van nieuwe producten, het creatief denken en het vermarkten van nieuwe ideeën en ontwikkelingen.

[5] Binkley, Erstad, Herman, Raizen, Ripley & Rumble, 2010.

[6] Ledoux et al. , 2013.

[7] Van de Wateren, 2013.

[8] De Bode & Nijman, 2014.

[9] Voogt & Pareja Roblin, 2010.

[10] Prins, Busato, Elshout, & Hamaker (1998) in Ledoux, 2013; Veenman, 2013.

[11] Ledoux et al., 2013.

[12] Veenman, 2013.

[13] Van der Kooij, 2013 .

[14] Jonker, 2013 .

[15] Voogt & Pareja Roblin 2010.

[16] Ledoux et al., 2013.