Kennissynthese 2025: Cultuurbeoefening op school en in de vrije tijd
Beoefenaars
De beoefenaar is iemand die binnen of buiten school actief deelneemt aan een culturele activiteit. Andere benamingen voor cultuurbeoefenaar zijn deelnemer of participant. Voor erfgoedbeoefenaars zijn ook meer termen in omloop, zoals vrijwilliger of amateur(archeoloog). Een beoefenaar van kunst, cultuur of (immaterieel) erfgoed is bijvoorbeeld een leerling/scholier tijdens cultuuronderwijs, een stamboomonderzoeker, een klarinettist in een orkest, een fotograaf bij een filmclub of iemand die meewerkt aan een bloemencorso.
In de kennissynthese kom je meer te weten over de cultuurbeoefenaar. Hieronder vind je een beknopte beschrijving van enkele onderwerpen. Voor meer onderwerpen en een uitgebreidere beschrijving van de onderzoeken over de cultuurbeoefenaar verwijzen we je naar de kennissynthese.
Inhoudsopgave
Beoefening van kunstzinnige, creatieve en muzikale activiteiten in de vrije tijd
Mate van kunstbeoefening in de vrije tijd
Verdeling van kunstbeoefening over verschillende bevolkingsgroepen
Socialisatieproces binnen kunstbeoefening
Uit verschillende onderzoeken blijkt dat ouders heel bepalend zijn voor de culturele activiteiten van kinderen, ook wanneer deze eenmaal volwassen zijn (Buis, 2012; HZ University of Applied Sciences, 2024; Notten et al., 2022). Voor het merendeel van de kunstbeoefenaars zijn de eigen ouders een belangrijke stimulans (geweest) om kunstzinnig, creatief of muzikaal actief te zijn, gevolgd door vrienden en andere familieleden.
Bij hoger opgeleide ouders ligt dit aandeel veel hoger dan bij lager opgeleide ouders. Leerkrachten blijken bij slechts een kleine minderheid een stimulerende rol te hebben gespeeld (Neele, 2023b)
Het individuele en sociale karakter van kunstbeoefening
Kunstbeoefening is voor een grote groep een individuele aangelegenheid (Van den Broek et al., 2019; Van den Broek & Van Houwelingen, 2015). In 2023 zei bijvoorbeeld driekwart van de kunstbeoefenaars dat ze hun activiteit altijd of meestal alleen beoefenen. Dat is ook te zien in het aandeel kunstbeoefenaars dat in 2023 actief was in verenigingen, clubs of groepen (20%), dat lessen, cursussen of workshops volgde (18%) en dat met eigen werk naar buiten trad (16%). Dit mag een minderheid zijn, maar het gaat dan nog steeds om ruim 1,8 miljoen Nederlanders die actief is in een vereniging, club of groep, en ruim 1,6 miljoen die lessen, cursussen of workshops volgen (Neele, 2023a). Ondanks het overwegend individuele karakter van kunstbeoefening lijkt er de laatste jaren meer Nederlands onderzoek naar beoefening in groepsverband te komen. Naast de formele verenigingen komt er meer aandacht in beleid, en dus ook in onderzoek, voor kunstbeoefening in andere verbanden. Deze verbanden worden in de literatuur soms aangeduid met de term ‘informele groepen’ of ‘communities’, maar bestaan in de praktijk uit velerlei typen groepen. (Goudriaan, 2016; Heijnen, 2015; Listavičiūtė, 2019; Neele & Zernitz, 2019; Slangen, 2021; Stein, 2021; Van Houwelingen, 2019; Wester et al., 2022).
De ‘niet-beoefenaar’
Effect en betekenis van kunstbeoefening voor individu en samenleving
Erfgoedbeoefening in de vrije tijd
In het cultuurbeleid en ook bij onderzoekers is in toenemende mate aandacht voor een bredere blik op kunst en erfgoed. Bij een breder begrip van erfgoed tellen we natuurlijk meer en meer diverse beoefenaars. De vormen waarin mensen erfgoed beoefenen, wordt soms breed en dan weer smaller in beeld gebracht. In de kennissynthese gaan we nader in op het gebruik van terminologie, definities en duiding van de uitkomsten van verschillende onderzoeken naar erfgoedbeoefening.
Trend erfgoedbeoefening
Erfgoedgemeenschappen
Bredere perspectieven op erfgoedbeoefening
Betekenis van erfgoedparticipatie
Cultuureducatie in het funderend onderwijs
Aan cultuureducatie in het onderwijs kent men een grote betekenis en waarde toe. Niet voor niets is het een verplicht domein in het primair en voortgezet onderwijs en investeren aanbieders, ondersteuners en beleidsmakers veel middelen om cultuureducatie te stimuleren en te verbeteren.
Harland (2008) onderscheidt primaire en secundaire effecten van kunsteducatie. Bij primaire effecten gaat het om kennis van de kunstdiscipline, technieken en vaardigheden, opdoen van creatieve en denkvaardigheden, en het verkennen, onderzoeken en kunnen uitdrukken van de betekenis in of door kunst.
De secundaire effecten zijn plezier en andere emotionele effecten, persoonlijke en maatschappelijke ontwikkeling, en transfer (toepassing van het geleerde in andere contexten).
Basisschoolleerlingen
Onderbouwleerlingen voortgezet onderwijs
Bovenbouwleerlingen voortgezet onderwijs
Erfgoededucatie
Navigeer naar een ander onderwerp