“Ondersteun de vele amateurkunstclubs structureel”

Interview met Johan Boonekamp, managing partner van DCK, een bureau in interim- en adviesvraagstukken in de culturele sector, en vaste samenwerkingspartner bij BMC. Hij heeft een achtergrond als klarinettist en dirigent.
Gepubliceerd:
Deel dit artikel
Amateurkunst is van groot belang voor de 6,4 miljoen beoefenaren én voor de samenleving als geheel. Hoog tijd om te investeren in de ondersteuning en de zichtbaarheid van amateurkunstenaars. Johan Boonekamp onderzocht hoe je dat het beste aanpakt.

Dit interview verscheen eerder in Cultuurkrant 2021, nummer 3.

(lees verder onder de afbeelding)

breakdancende meisje
Foto Shutterstock

“Amateurkoren, -orkesten en -theatergroepen zorgen voor verbinding in de samenleving”, benadrukt Johan Boonekamp van onderzoeksbureau BMC. In opdracht van LKCA onderzocht hij, samen met zijn collega’s Marco van Vulpen en Hinke Stallen, hoe de ondersteuningsstructuur voor verenigingen en informele groepen amateurkunstenaars verbeterd kan worden. “Deze structuur is versnipperd, vertoont geen samenhang en mist een ontwikkelagenda voor de toekomst. Terwijl maar liefst 40 procent van onze bevolking muziek maakt, schildert of toneelspeelt.”

Het onderzoek werd in gang gezet op verzoek van de Tweede Kamer. Die vroeg minister Ingrid van Engelshoven (OCW) eind 2019 te onderzoeken hoe de structurele ondersteuning van amateurkunstverenigingen kan worden versterkt. Het ministerie legde deze vraag neer bij LKCA.
De amateurkunst staat nogal in the picture; dit voorjaar adviseerde ook de Raad voor Cultuur om het basisniveau voor amateurkunst te versterken: met structureel 25 miljoen per jaar. De coronacrisis heeft de roep om ondersteuning urgenter gemaakt, constateert Boonekamp. “Ondanks steunmaatregelen worden veel groepen in hun voortbestaan bedreigd.”

“De verenigingen staan er eigenlijk alleen voor”

Wat gaat er precies  mis?

“Er is in de afgelopen decennia verschrikkelijk veel geld wegbezuinigd en daardoor is een groot deel van de provinciale en gemeentelijke ondersteuning van de amateurkunst verdwenen. Ook het amateurkunstkader – de regisseurs, dirigenten en choreografen – staat onder druk. De landelijke koepelorganisaties, met besturen van vrijwilligers, kunnen dat niet allemaal opvangen. De verenigingen in verschillende kunstdisciplines staan er eigenlijk alleen voor. Dat geldt zeker voor de informele groepen van bijvoorbeeld jonge rappers en breakdancers of muzikanten uit diverse culturen. De miljoenen beoefenaars in het land kunnen vaak nergens terecht met hun vragen over repetitieruimte, een plek om op te treden of een gespecialiseerde docent.”

Waar draait het vooral om, bij de ondersteuning van amateurkunstgroepen?

“Met de huidige subsidiestromen in de amateurkunst wordt vooral een artistiek vernieuwend toplaagje ondersteund van professionele organisaties die met amateurs werken. Wij pleiten voor een structurele uitbreiding van middelen voor de vele amateurkunstclubs in het land, en het inspelen op de behoeften die zij zélf hebben. Stimuleer de samenwerking met professionele kunstenaars en benut ook de kracht van amateurkunst in het sociale domein en in de zorg.”

Ook pleit Boonekamp voor een verbetering van de professionele ondersteuning. “De opleidingen in het kunstvakonderwijs zouden specifiek aandacht aan amateurkunst kunnen besteden. Naast vaktechniek leren studenten weliswaar didactische vaardigheden, maar het is ook belangrijk om in te leren spelen op sociale aspecten. Harmonieorkesten, koren en theatergroepen vormen een gemeenschap en zijn soms tientallen jaren actief. Voor een dirigent of regisseur is het de uitdaging om de samenhang en onderlinge communicatie te stimuleren.”

Wat zijn de belangrijkste voorstellen?

“We zijn voor een grassroots-benadering. Ga uit van de structuren die er al zijn en zorg ervoor dat je die ondersteunt en verankert. Op lokaal niveau pleiten we voor uitbreiding van de Brede Regeling Combinatiefuncties, ofwel cultuurcoaches. Die zijn nu in 278 gemeenten actief en ongeveer een derde deel ondersteunt ook amateurkunstgroepen. Gemeenten kunnen faciliteren dat een cultuurcoach of cultuurmakelaar in contact is met de amateurkunstgroepen. Aanhoren wat er speelt en gerichte coaching, verwijzing of bemiddeling bieden. Denk aan betaalbare repetitieruimtes en podia voor optredens. Of bijvoorbeeld advies van een professional bij het uitwerken van de artistieke visie voor een bijzonder project. Door corona hebben de online-activiteiten verder een grote vlucht genomen en ook daar is behoefte aan professionele ondersteuning.

Op provinciaal niveau gaat het onder andere om uitbreiding van de provinciale steunfunctie-instellingen en landelijk om versterking van de koepelorganisaties en een verruiming van de taken van LKCA en het Fonds voor Cultuurparticipatie.”

Hoe ziet de financiering van deze voorstellen eruit?

“We stellen een breed opgezet, meerjarig Programma Amateurkunst voor. Dat moet gaan voorzien in meer samenwerking, afstemming en coördinatie op lokaal, provinciaal en landelijk niveau. Het vergt echt een integrale aanpak en revitalisering van de sector.

Het is belangrijk om de amateurkunst zichtbaar te maken en te agenderen, vooral waar het gaat om de maatschappelijke impact. Het besef vergroten dat verbindingen in de samenleving ook vaak via deze verenigingen en informele groepen verlopen. Als dirigent van een harmonieorkest spreek ik uit ervaring. Wat ik zo mooi vind is de sociale verbinding met elkaar in zo’n orkest. Amateurkunst is een humuslaag voor de sociale cohesie en hét middel voor cultuurparticipatie.”

Er zijn ook veel individuele amateurkunstenaars, die niet zijn aangesloten bij een vereniging. Is daar zicht op?

“Deze mensen kun je bereiken met mediacampagnes die aandacht aan amateurkunst besteden. Televisieprogramma’s als Project Rembrandt vind ik een prachtig voorbeeld om het draagvlak te verbreden.
Informele groepen en samenwerkingsvormen zijn moeilijker te vinden dan verenigingen, maar die kun je wél via de cultuurcoaches bereiken. Zij kunnen als geen ander contact leggen met de jonge en cultureel diverse groepen die in een buurt actief zijn.”

Een slotvraag: is amateurkunst niet een beetje ‘uit’?

“Nee, zeker niet, het percentage beoefenaars blijft juist vrij stabiel, maar het is wél belangrijk om het profiel van amateurkunst te verbreden. Het gaat niet alleen om koren en orkesten, ook beoefenaars van spoken word, breakdance of latin dans zijn amateurkunstenaars.”

Amateurkunst in Nederland

    – Ruim 6,4 miljoen Nederlanders van 6 jaar en ouder doen in de vrije tijd iets kunstzinnigs of creatiefs. Ten opzichte van 2013 en 2015 is er een minieme afname van 1 procent.
    – Ruim 80 procent van de beoefenaars is het hele jaar door actief, de meeste (bijna) elke week.
    – De meeste beoefenaars (61 procent) voeren de activiteit bijna altijd in hun eentje uit. Een kwart hiervan (bijna anderhalf miljoen mensen) is lid van een vereniging. Wel is het aantal beoefenaars dat lid is van een informele groep (bijvoorbeeld een popbandje) toegenomen.

    (Bron: Revitalisering van de Amateurkunst, BMC)

Programma Amateurkunst

BMC stelt een meerjarig Programma Amateurkunst voor, met een jaarlijkse bijdrage vanuit het Rijk van 25 miljoen euro. Dit geld wordt aangewend voor:

    – verruiming van het budget van de Brede Regeling Combinatiefuncties: het aantal cultuurcoaches wordt met 50 procent (290 FTE) uitgebreid;
    – een matchingsregeling voor ondersteuning van amateurkunst op provinciaal en lokaal niveau;
    – een subsidieregeling bij het Fonds voor Cultuurparticipatie voor bovenregionale amateurkunstprojecten met een voorbeeldfunctie;
    – formatie-uitbreiding bij landelijke koepels, uitbreiding van de capaciteit van LKCA om kennisdeling en netwerkvorming voor amateurkunstgroepen op te pakken, organisatie- en administratiekosten bij het Fonds voor Cultuurparticipatie.

Meer lezen

Vond je dit artikel interessant?

Gemiddelde 5 / 5. totaal 2

Reageer (je reactie verschijnt na goedkeuring, vanwege spam)

Reacties (0)
Gepubliceerd:
Deel dit artikel