Dit is een artikel uit de Cultuurkrant, editie 38.

‘Je kunt niet sterker worden in cultuurbeoefening’
Overheden hechten met hun beleid voor cultuureducatie en amateurkunst veel waarde aan ondersteuning. Dat geldt zowel voor gemeenten, provincies als het Rijk. Zo kregen provinciale en lokale ondersteunende instellingen een cruciale rol in het cultuureducatiebeleid. Binnen het stimuleringsprogramma Cultuureducatie met Kwaliteit zijn zij de change agents voor het verankeren van cultuuronderwijs op scholen.
De amateurkunst wordt nu op dezelfde manier ondersteund. De subsidieregelingen die het Rijk daarvoor instelt gaan vooral naar de provinciale ondersteuningsinstellingen. Eenvoudigweg omdat die infrastructuur al bestaat en functioneert. En daarnaast ook naar enkele amateurkunstbonden en -koepelorganisaties.
Vanuit dit grote belang probeert LKCA via onderzoek ook het functioneren van deze ondersteunende instellingen zichtbaar te maken. Recent publiceerden we twee monitoronderzoeken, een naar de koepels en een naar de lokale en provinciale ondersteunende instellingen.
Generiek beleid
De koepels blijken zich bijna allemaal te richten op een afzonderlijke specifieke kunstdiscipline. Dat is logisch, deze koepels komen voort uit het veld zelf, en dat veld is georganiseerd langs de lijnen van disciplines.
De lokale en provinciale ondersteunende instellingen richten zich niet op een kunstdiscipline. Die werken juist generiek op de domeinen ‘cultuureducatie’, ‘amateurkunst’, ‘cultuurparticipatie’ of ‘cultuurbeoefening’. Zij zijn in het leven geroepen en gefinancierd door overheden en die werken nu eenmaal ook met generieke beleidsdomeinen.
Zo laat de laatste Monitor gemeentelijk beleid zien dat het grootste deel van de gemeenten met beleid voor cultuurbeoefening geen specifiek beleid heeft voor een culturele discipline.
Er is één interessante uitzondering: de zogenoemde popkoepels. Die nemen een tussenpositie in. Ze worden ondersteund door grootstedelijke of provinciale instellingen en gefinancierd door en met een opdracht van overheden, maar richten zich daarbij wel op een specifieke discipline, namelijk popmuziek.
En dat heeft effect op hun ambities, zo blijkt uit LKCA-monitoronderzoek. Alle popkoepels hebben als doel om het aanbod voor (top)talenten te versterken. De lokale en provinciale ondersteunende instellingen die zich in het algemeen richten op generieke ‘cultuurbeoefening’ doen dit veel minder.
Gebrekkige aanwas
Nu is het zo dat conservatoria en professionele orkesten en koren klagen over een gebrekkige aanwas van Nederlandse talenten. Ook in de Cultuurkrant besteedden we hier aandacht aan. Niet voor niets wordt momenteel in opdracht van het ministerie van OCW een onderzoek uitgevoerd naar talentontwikkeling in klassieke muziek en dans.
Hoe zijn deze problemen met de ‘keten van talentontwikkeling’ ontstaan? Uit ons monitoronderzoek blijkt dat ze mogelijk het simpele resultaat zijn van cultuurbeleid. Zo blijkt uit de Monitor gemeentelijk beleid dat gemeenten zich met hun cultuurbeoefeningsbeleid vooral richten op ontmoeting en participatie. Slechts een klein deel versterkt en faciliteert het aanbod voor (top)talenten.
Dit werkt dus door in de overheidsgefinancierde ondersteunende instellingen voor cultuurbeoefening, zoals lokale en provinciale ondersteunende organisaties. En ook in het bezuinigen op centra voor de kunsten of muziekscholen, door ze op te heffen of door bijvoorbeeld individuele muzieklessen af te schaffen.
Dat ziet nu ook het ministerie van OCW in. De laatste beleidsbrief meldt dat het kabinet extra aandacht gaat besteden aan talentontwikkeling in het cultuurbeleid. Daarbij wil ze samen met het Interprovinciaal Overleg en de Vereniging Nederlandse Gemeenten verkennen welke rol muziekscholen en centra voor de kunsten spelen bij talentontwikkeling.
Als we het tij inderdaad willen keren, kunnen we mogelijk ook een voorbeeld nemen aan de popkoepels en het provinciaal beleid voor popmuziek. Vorig jaar ondertekenden deze koepels bijvoorbeeld het Convenant Talentontwikkeling in de Popmuziek 2025-2028.
Het aanpakken van de problemen in de keten van talentontwikkeling vraagt misschien om een herwaardering van de disciplines in het beleid en bij ondersteunende instellingen.
Want je kunt beter worden in bijvoorbeeld zingen, gitaar spelen, schrijven, dansen, acteren, schilderen, maar niet in iets algemeens als ‘cultuurbeoefening’, ‘amateurkunst’ of ‘cultuurparticipatie’. Weliswaar zijn er de op disciplines gerichte amateurkunstbonden en -koepelorganisaties, maar het monitoronderzoek laat zien dat zij momenteel veel te weinig menskracht hebben en bovendien ook nauwelijks gericht zijn op (top)talentontwikkeling.
Meer aandacht voor afzonderlijke disciplines in beleid en ondersteuning voor cultuurbeoefening zal voor velen als een stap terug in de tijd voelen. Maar we moeten echt oppassen dat het potentieel talent niet door ons huidige beleid in de knop gebroken wordt.
Bronnen
- Monitor lokale en provinciale ondersteunende instellingen voor cultuurbeoefening op school en in de vrije tijd 2026 (LKCA, 2026)
- Resultaten monitor gemeentelijk beleid: beperkt aandacht voor talent en kunstdocenten (Goossens & Poll, LKCA. 2026)
- Muziekeducatie staat onder druk: hoe houden we het hoofd boven water? (Cultuurkrant december 2024)
- Muziekeducatie vraagt om betrokken overheid (Cultuurkrant december 2025)
- Bijlage bij de brief aan de Eerste Kamer – Beleidsbrief 2026-2030 ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (aan de Tweede Kamer) (Rijksoverheid, 24 april 2026)
Verder lezen
- LKCA-onderzoeker Arno Neele schreef eerder op Cultureel Kapitaal hoe talentontwikkeling een sterkere positie moet krijgen in het cultuurbeleid.
- Luud Goossens en Arno Neele, onderzoekers bij LKCA, en adviseur Erfgoedparticipatie Wim Burggraaff concludeerden eerder op Cultureel Kapitaal dat er nauwelijks onderzoek gedaan wordt naar talentontwikkeling.

Reageer (je reactie verschijnt na goedkeuring, vanwege spam)