Er wordt nauwelijks onderzoek gedaan naar talentontwikkeling (en 5 andere conclusies uit de kennissynthese cultuurbeoefening)

Bijgewerkt op:
Gepubliceerd:
Deel dit artikel
Drie onderzoekers leggen alle uitkomsten van Nederlands onderzoek van de afgelopen tien jaar naast elkaar, trekken conclusies en signaleren kennisleemten. Wat valt op?

Dit artikel werd eerder gepubliceerd in de Cultuurkrant, editie 30, juni 2024.

Foto: iStock

Ouders belangrijkste stimulans 

Landelijke stimuleringsprogramma’s voor cultuurbeoefening zijn de afgelopen tien jaar voornamelijk gericht op stimulering van kunst en cultuur binnen het onderwijs. Dit beleid neemt vooralsnog niet de ongelijke verdeling en overdracht in cultuurbeoefening weg. Uit diverse onderzoeken blijkt dat ouders, en in mindere mate andere familie en vrienden, heel bepalend zijn voor de culturele activiteiten van kinderen, ook wanneer ze later volwassen zijn.

‘De stimulerende rol van leerkrachten blijkt relatief beperkt’

De stimulerende rol van leerkrachten blijkt relatief beperkt. Leerkrachten geven zelf ook veel positieve effecten op leerlingen aan – maar zien het minst effect op de mate waarin scholieren buiten schooltijd actief aan kunst doen. Mocht het beleidsdoel zijn om zoveel mogelijk mensen kunstzinnig of creatief actief te maken en te houden, dan lijkt een beleid dat alleen of hoofdzakelijk is gericht op onderwijs niet afdoende.

Onderbelicht: talentontwikkeling 

Onderzoek naar (de infrastructuur voor) talentontwikkeling is er beperkt. Onderzoekers lijken meer aandacht te hebben voor ‘meedoen’ dan voor ‘talent’. En als het om talent gaat dan betreft het vaak een hele brede definitie van talentontwikkeling. We zien dit ook terug bij beleidsmakers: minder subsidies voor muziekscholen en centra voor de kunsten, meer aandacht voor de verbinding van kunst met zorg en welzijn. De laatste tien jaar is de rol en functie van centra voor de kunsten en muziek-, theater- en dansscholen dan ook relatief weinig onderzocht. En een onderwerp als de betekenis van cultuurparticipatie voor de (positieve) gezondheid relatief veel.   

Lokaal beleid = landelijk beleid 

Lokaal en provinciaal beleid zijn sterk afhankelijk van en worden gestuurd door landelijk beleid. Gemeenten en provincies namen de doelstellingen en instrumenten van het rijksbeleid voor binnenschools cultuuronderwijs over in hun cultuurbeleid. Lokaal beleid is vaak (gelijk aan) landelijk beleid. Zo zien we het afgelopen decennium de sterke focus van het rijksbeleid op cultuuronderwijs direct terug in provinciaal en gemeentelijk beleid. Een Rijksprogramma als Cultuureducatie met Kwaliteit is daarin, vanwege de matching in financiering, sterk sturend.  

Voor amateurkunst en buitenschoolse cultuureducatie hadden veel provincies en gemeenten de laatste tien jaar minder aandacht. Provinciale en grootstedelijke steunfuncties richtten zich voornamelijk op binnenschools cultuuronderwijs. Recent onderzoek laat echter zien dat er sinds de coronapandemie sprake is van een kentering. De aandacht voor cultuurbeoefening in de vrije tijd is weer terug op de beleidsagenda van het Rijk. De verwachting is dat lagere overheden (wanneer ze dit nog niet doen) ook hierin het Rijk zullen volgen. 

Erfgoedparticipatie: kunnen burgers écht meebeslissen?  

Informatie over erfgoedbeoefening is helaas fragmentarisch beschikbaar en daarom is het moeilijk om een landelijk beeld van de stand van zaken te krijgen. Maar we hebben wél een landelijk beeld van hoe gemeenten inwoners betrekken bij erfgoed.  

Lang niet alle gemeenten hebben expliciet erfgoedbeleid geformuleerd, maar uit de Monitor van de Erfgoedinspectie blijkt dat in 81 procent van de gemeenten burgers wel op een of andere manier worden betrokken bij het erfgoed. 50 procent overlegt regelmatig met lokale erfgoedverenigingen. Deze percentages zijn best hoog, maar de vraag is wel wat de kwaliteit van deze participatie is. In hoeverre kunnen burgers écht meebeslissen over de waardering van en zorg voor erfgoed? Het ontbreekt nog aan studies die de kwaliteit van het participatieproces onderzoeken.

‘In hoeverre kunnen burgers écht meebeslissen over de waardering van en zorg voor erfgoed?’

Onderbelicht: de kwaliteit van het cultuuronderwijs 

De randvoorwaarden voor goed cultuuronderwijs worden vaak onderzocht. Bijvoorbeeld visie, de inzet van een icc’er of samenwerking met culturele omgeving. De ontwikkelingen zijn positief: de meeste scholen hebben een icc’er of visie op cultuuronderwijs, steeds meer scholen maken gebruik van vakleerkrachten en ook de samenwerking met de culturele omgeving lijkt te zijn toegenomen.  

Maar aan de kwaliteit van het cultuuronderwijs zelf wordt veel minder (grootschalig) onderzoek besteed. Daarvan ontbreekt een goed empirisch beeld. Het is aannemelijk dat randvoorwaarden bijdragen aan de kwaliteit van het cultuuronderwijs, maar de discussie over de daadwerkelijke kwaliteit kunnen we (nog) niet goed voeren op basis van onderzoek. 

Sterk onderbelicht: Caribisch Nederland 

Onderzoek naar cultuurbeoefening in Caribisch Nederland is er niet of nauwelijks. Zo zijn er in monitoringsonderzoek zeer beperkte, of vaak zelfs geen cijfers beschikbaar over de Cariben. Dat komt deels doordat zulk onderzoek vaak wordt verricht binnen de context van beleidsprogramma’s, en deze programma’s zijn niet of nauwelijks toegankelijk voor de Cariben. Wel hebben de BES-eilanden sinds kort toegang tot de BRC-regeling voor de inzet van cultuurcoaches. 

‘Er zijn in monitorings-onderzoek zeer beperkte (vaak zelfs géén) cijfers beschikbaar over de Cariben’

De Kennissynthese is gebaseerd op gepubliceerd empirisch of literatuuronderzoek naar cultuurbeoefening in (Caribisch) Nederland in de afgelopen tien jaar. LKCA ontwikkelde de synthese op verzoek van het ministerie van OCW, IPO en VNG en in samenwerking met de Rijksdienst voor Cultureel Erfgoed en Kenniscentrum Immaterieel Erfgoed Nederland.

Verder lezen

Vond je dit artikel interessant?

Gemiddelde 5 / 5. totaal 1

Reageer (je reactie verschijnt na goedkeuring, vanwege spam)

Reacties (0)
Bijgewerkt op:
Gepubliceerd:
Deel dit artikel