Amateurkunstgroepen hebben behoefte aan ondersteuning

Terugkoppeling Landelijke bijeenkomst Amateurkunstondersteuning, 18 maart 2022.
Gepubliceerd:
Deel dit artikel
Op vrijdag 18 maart buigen zo’n zeventig cultuurmakelaars, -coaches en provinciale en landelijke ondersteuners uit het culturele veld zich over de vraag hoe de amateurkunst verder ondersteund kan worden. Een van de uitgangspunten is het BMC-rapport Revitalisering van de amateurkunst dat in september 2021 aangeboden werd aan minister Van Engelshoven en de Raad voor Cultuur.

Opening en keynote

Ruim tien jaar lang bezuinigen op de cultuursector heeft diepe sporen nagelaten. Niet alleen professionele instellingen en gezelschappen hebben fors ingeleverd, ook de amateursector heeft klappen gekregen. En toen moest corona nog komen. Maar Sanne Scholten, directeur van het LKCA, wijst in haar openingswoord op positieve signalen. Bijvoorbeeld dat het verenigingsleven en de amateurkunst genoemd staan in het regeerakkoord. ‘Die aandacht is een direct gevolg van de inspanningen van velen, waarvan een aantal ook hier aanwezig is.’

Ook het werkbezoek van de nieuwe staatssecretaris Gunay Uslu, om meer te horen over cultuurparticipatie, was positief. Uslu, aldus Scholten, toonde zich heel open en nieuwsgierig. ‘En toen ik haar vertelde hoeveel mensen er in Nederland met amateurkunst bezig zijn, was dat duidelijk nieuws voor haar. Ze wil daarover graag op korte termijn doorpraten.’

Ten slotte wijst Scholten op de herstelbrief die toenmalig minister Van Engelshoven net voor de kerst stuurde, met aandacht voor versterking van de amateurkunst.

Focus

In zijn keynote gaat organisatieadviseur Berend Rubingh in op de waarde van verenigingen. Verenigen, zo stelt hij, zit de mens in het DNA. ‘Er zijn voor mensen vier redenen zijn om zich te verenigen: iets verkrijgen, iets verdedigen wat je al hebt, iets leren. Maar onze vierde basisbehoefte, en dat is waarom we hier vandaag bijeen zijn, is ons verbinden met de ander.’
Dat verenigen doen we formeel, in geïnstitutionaliseerde verbanden als verenigingen, maar ook informeel, in los-vaste clubjes. Rubingh ziet steeds vaker dat het niet meer draait om de leden, maar om de vereniging als instituut. Een gevolg is dat leden zich steeds vaker als klant gaan gedragen denken dat ze, omdat ze contributie betalen, daaraan rechten kunnen ontlenen.
Nu verenigingen meer onder druk komen te staan, is het volgens Rubingh nodig om weer te focussen op waar het eigenlijk om zou moeten gaan. Een vereniging is geen bedrijf met een businessplan en functieprofielen, maar een sociale verband. ‘We moeten terug naar die basis. Goed functionerende verenigingen zijn vaak juist informeel georganiseerd. Heel veel is niet vastgelegd. Het belangrijkste is sfeer. Waar die goed is, zijn veel minder organisatorische problemen.’

Werkend principe

En dus zegt Rubingh, moet je in het ondersteunen van verenigingen vooral kijken naar die informele kant. Er moet aandacht zijn voor  betrokkenheid, saamhorigheid en verbondenheid.

Om deze begrippen verder te kunnen ontwikkelen moet ieder lid weten dat er van hem of haar een actieve houding verwacht wordt. ‘Als je lid bent vanuit een ruilprincipe, waarbij je iets terug verlangt, dan werkt het niet. Maar als je lid bent vanuit een participatieprincipe, waarbij je wat bijdraagt en een gezamenlijk doel realiseert, dan werkt het wél.’

Zijn boodschap geldt ook voor besturen. ‘Die denken vaak dat ze de baas zijn en dingen moeten regelen. Maar dat is natuurlijk niet zo. Besturen zetten wel de koers uit, maar tegelijk moeten ze het de leden mogelijk maken daar zelf invulling aan te geven.’

Maak nieuwe leden duidelijk wat je van hen verwacht,  wat voor club je bent en wat het betekent om van die club lid te worden. ‘Het is als in de ontwikkelingssamenwerking: geef leden geen mand met vis, maar leer ze vissen. Samen de schouders eronder zetten zorgt voor een duurzame vereniging. Daar kan geen businessplan tegenop.’

Van behoeftes en aanbevelingen naar acties

Sinds september 2021 is er van alles gebeurt met het BMC-rapport Revitalisering van de amateurkunst. De sessie begint met een paar voorbeelden uit Noord-Brabant, Den Haag en van landelijke ontwikkelingen.

In de breakoutrooms, onderverdeeld naar landelijk, provinciaal en lokaal, gaan deelnemers daarna aan de slag met vragen als wat er nodig is om de amateurkunstsector te revitaliseren en wie daarvoor moet zorgen. Exemplarisch is de ervaring van Nienke de Lange, voorzitter van Stidoc (Stichting Textiel Informatie en Documentatie Centrum). ‘Onze leden zijn zestig jaar of ouder. Toen we verenigingsactiviteiten digitaal probeerden te organiseren, bleek bij een aantal van hen een gebrek aan digitale vaardigheden.’ Ze verwacht dat activiteiten in de toekomst meer hybride zullen zijn. ‘Dat betekent dat we onze leden meer zullen moeten trainen om ook digitaal bijeen te kunnen komen. Doen we dat niet, dan haken ze af.’

Er is landelijk behoefte aan aandacht voor digitale transitie en voorbeeld stellende projecten. Daarbij moeten de behoeftes van verenigingen leidend zijn. Ook klinkt de roep om meer in te zetten op en te investeren in ondersteuningsnetwerken.

Op provinciaal niveau zouden behoeftes van amateurkunstbeoefenaars in de volle breedte inzichtelijker moeten worden. Ook moet duidelijk zijn waar verenigingenmensen terecht kunnen. Verder mogen provinciale steunfunctie-instellingen meer met in plaats van voor het veld werken.
Lokaal ziet men veel versnippering, met het risico van concurrentie. Er is behoefte aan kennisdeling, bijvoorbeeld rondom ledenwerving. Hier en daar kan de relatie met de gemeente beter, zo weet die gemeente zelf niet altijd wat er allemaal speelt. De inzet van cultuurcoaches kan voorkomen dat verenigingen tussen wal en schip vallen.

De ondersteuning van informele verbanden

In de eerste middagsessie presenteert Arno Neele (LKCA) de resultaten van het onderzoek Kunstbeoefening in groepsverband, dat samen met Koornetwerk Nederland is uitgevoerd. In 2017 waren twee miljoen amateurkunstbeoefenaars (40 procent) actief in groepsverband. Door corona is dat in 2021 min of meer gehalveerd, maar de verwachting is dat dit wel weer zal bijtrekken. Zo’n driekwart van de koren en orkesten is aangesloten bij Koornetwerk Nederland of de Koninklijke Nederlandse Muziek Organisatie.

Kijkend naar beleid hebben gemeenten een relatie met 83 procent van de amateurkunstverenigingen. Maar er is een groeiende trend, mede versterkt door corona, naar informalisering van amateurkunstbeoefening. Steeds meer mensen musiceren bijvoorbeeld in kleine clubjes, gewoon bij iemand thuis, optreden is niet per se het doel. De diversiteit van deze informele verbanden, dus zonder rechtsvorm als vereniging of stichting, is enorm. Gemiddeld zijn deze informele groepen kleiner en hechter, maar soms ook vluchtiger.  

In de aansluitende breakoutrooms komt vervolgens de vraag hoe je informele verbanden in kaart kunt brengen. Ook is er behoefte aan een database met beoefenaars, zodat eventuele werving soepeler wordt. Ook een database met goed en betaalbare repetitieruimte is zeer gewenst. Ten slotte ziet men graag een versoepeling van subsidieregelingen, zodat ook beoefenaars zonder rechtsvorm in aanmerking komen.

Bestuurscoaching

Hans van Egdom (Bakck2basics) vat in de andere middagsessie de belangrijkste taken van een bestuur als volgt samen: zorgen voor productiviteit en positiviteit. ‘Dus doelen stellen, strategieën ontwikkelen en verantwoordelijkheid geven, maar tegelijk ook een sfeer creëren van vertrouwen optimisme, respect.’ Die positiviteit is bepalend voor het plezier van de leden en juist daarvoor ziet Van Egdom vaak te weinig aandacht.

De manier van besturen is bovendien bepalend voor het soort organisatie. Een top-down bestuur dat alles regelt, heeft tot gevolg dat leden zich gaan gedragen als klanten, terwijl een bottom-up manier van besturen eraan bijdraagt dat leden zelf sneller hun verantwoordelijkheid nemen.
Bij bestuurscoaching krijgen besturen met allerhande scans en hulpmiddelen inzicht in hoe ze zijn samengesteld en hoe ze functioneren.

Namens LKCA wil Matthijs Beerepoot weten hoe de deelnemers tegen bestuurscoaching aankijken. Zij blijken het in grote lijnen eens dat het helpt als zij eerst zelf, via hun eigen bestuur, uitgebreider kennis maken met bestuurscoaching.

Met een zeepkist waarop deelnemers eigen initiatieven kunnen pitchen sluit de dag. Er is veel informatie gedeeld, waarmee cultuurcoaches, -makelaars, provinciale en landelijke ondersteuners vooruit kunnen in hun streven om de amateurkunstsector te versterken.

Vond je dit artikel interessant?

Gemiddelde 5 / 5. totaal 2

Reageer (je reactie verschijnt na goedkeuring, vanwege spam)

Reacties (0)
Praat verder over dit onderwerp met deze expert(s):
Matthijs Beerepoot
Matthijs Beerepoot
Functie: Specialist Cultuurparticipatie
Expertise: verenigingen
matthijsbeerepoot@lkca.nl
030 - 711 51 84
Bekijk alle experts
Gepubliceerd:
Deel dit artikel