Gemeentes en provincies, investeer meer in amateurkunst

Gepubliceerd:
Deel dit artikel
Provincies en gemeentes steunen de amateurkunst te weinig, ziet Peter van der Zant. Terwijl de argumenten voor steun toch ruim voorhanden zijn. Zeker met het oog op de komende verkiezingen zouden gemeenten zich sterk moeten maken voor meer ondersteuning van de vele amateurkunstenaars.

Door Peter van der Zant

Theatersportgroep Tegen beter weten in, foto: Björn Hermans, Flickr

Dát amateurkunst steun verdient, is evident. Eerdere bijdragen van Arno Neele aan dit platform en een interview met Johan Boonekamp in de Cultuurkrant maakten duidelijk dat er behoefte is aan een betere ondersteuning van amateurkunst.

Het ledental van sommige amateurverenigingen, zoals koren en dansverenigingen, daalt en veel ondersteunende structuren op provinciaal en gemeentelijk niveau zijn als gevolg van bezuinigingen weggevallen. Slechts in enkele provincies en gemeenten kunnen amateurkunstenaars nog terecht met vragen over zaken als subsidiemogelijkheden, scholing, oefenruimtes of ledenwerving.

Bovendien is het voor veel professionals die werkzaam zijn in de sector van de amateurkunst (docenten, dirigenten, coaches) door de lockdowns en andere coronamaatregelen steeds moeilijker hun hoofd boven water te houden. Dat vereist niet alleen een landelijk plan van het Rijk, maar ook een actieve rol van provincies en gemeenten.

Argumenten

In het verleden zijn voor de steun aan de amateurkunstsector verschillende argumenten gebruikt, bleek toen ik voor mijn masterthesis het veranderend denken van de overheid over amateurkunst onderzocht. Overheidssteun voor amateurkunst is een relatief nieuw verschijnsel, zeker als je bedenkt dat mensen al duizenden jaren dansen, musiceren, verhalen vertellen, beelden maken of schilderen.

Het aantal beoefenaars van amateurkunst is sinds de late middeleeuwen (toen alleen de hogere kringen kunst beoefenden) enorm toegenomen. Vanaf het einde van de 19e eeuw werden in elke zuil, katholiek, protestants, socialistisch en liberaal, honderden verenigingen opgericht, zoals koren, muziekgezelschappen, dansclubs en toneelverenigingen.

De algemene gedachte was dat amateurkunstbeoefening niet alleen voor de noodzakelijke ontspanning zorgde, maar ook bijdroeg aan de culturele ontwikkeling van de eigen achterban (volksverheffing) en daarmee aan de vormgeving van een eigen identiteit.

Later werd het bovendien gezien als een goede manier om persoonlijke expressie en creativiteit te stimuleren. Pas in de jaren zestig van de vorige eeuw kwam aan de verzuiling een einde. Thans zijn er zo’n 6 miljoen amateurkunstenaars, ofwel 40 procent van alle Nederlanders van zes jaar en ouder.

Overheidssteun

Tot aan de Tweede Wereldoorlog bemoeide de overheid zich nauwelijks met amateurkunst. Alleen gemeenten gaven soms geld aan (particuliere) muziekscholen. Na 1945 groeide de overheidsbemoeienis, maar de financiële bijdrage bleef altijd bescheiden, zeker in vergelijking met de omvang van de amateurkunstsector.

De bemoeienis van het Rijk met amateurkunst werd in 1979 voor een groot deel overgeheveld naar de gemeenten en provincies; het Rijk bleef vooral verantwoordelijk voor onderzoek, informatie en kennisdeling. In 2010 werd het Fonds voor Cultuurparticipatie opgericht, dat ook de amateurkunst ging ondersteunen, in samenwerking met gemeenten en provincies.

Verschuiving

Voor de onderbouwing van de bemoeienis nam de overheid eerst de argumenten over van het particulier initiatief: het beoefenen van amateurkunst was goed voor een zinvolle vrijetijdsbesteding van de burgers, hun culturele ontwikkeling en hun persoonlijke creativiteit. Dit sloot nauw aan bij het idee van kunstbeoefening als onderdeel van het streven naar volksverheffing in de tijd van de verzuiling.

Vanaf de jaren tachtig van de vorige eeuw noemde de overheid in de cultuurnota’s vooral de gunstige effecten op allerlei andere terreinen, zoals de verbetering van het vestigingsklimaat in een gemeente, de stimulering van de (lokale) economie, de bevordering van de sociale cohesie, het leefklimaat in de wijken of de bijdrage aan de ouderenzorg. Daarmee werd (amateur)kunstbeoefening vooral als een instrument gezien om andere beleidsdoelen te bereiken. Opvallend was dat elke vier of acht jaar het beleidsdoel weer veranderde en dat nauwelijks bewezen kon worden dat amateurkunst daadwerkelijk bijdroeg aan dat doel.

De laatste jaren wordt er daarom door onder andere de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid (WRR) gewaarschuwd voor een te instrumentele visie op (amateur)kunst en wordt de eigenstandige, intrinsieke waarde van kunst en cultuur weer benadrukt.

Behoefte aan betere ondersteuning

Zeker met het oog op de aanstaande gemeenteraadsverkiezingen zouden (lokale) politieke partijen zich er sterk voor moeten maken, dat elke (middel)grote gemeente weer over een (fysiek en/ of digitaal) loket beschikt waar amateurkunstenaars en -verenigingen terecht kunnen voor informatie, advies en eventuele financiële ondersteuning.

Uit onderzoek dat bijvoorbeeld CultuurSchakel in Den Haag liet verrichten, bleek dat veel amateurkunstenaars behoefte hebben aan informatie over zaken als geschikte oefenruimtes, samenwerkingspartners, mogelijkheden om op te treden en ondersteuning bij zaken als ledenwerving, het opstellen van begrotingen of het ontwikkelen van educatieve activiteiten voor het onderwijs.

Voor de onderbouwing van zo’n actieve ondersteuning hebben Rijk, provincies en gemeenten in hun cultuurnota’s en andere beleidsnota’s de afgelopen 75 jaar zelf de nodige argumenten gegeven.
Naast het feit dat amateurkunstbeoefening goed kan zijn voor de sociale cohesie, de leefbaarheid in de wijken of de economie, blijven daarbij de argumenten van vroeger belangrijk, namelijk dat het zorgt voor zinvolle vrijetijdsbesteding, culturele ontwikkeling en persoonlijke expressie van grote groepen burgers.


Lees ook:

Vond je dit artikel interessant?

Gemiddelde 5 / 5. totaal 1

Reageer (je reactie verschijnt na goedkeuring, vanwege spam)

Reacties (0)
Gepubliceerd:
Deel dit artikel