Hoe het verschil tussen gesubsidieerd aanbod en zelfstandige aanbieders zorgt voor steeds minder fair practice (en hoe het tij te keren…)

Bijgewerkt op:
Gepubliceerd:
Deel dit artikel
Hoe zorgen we ervoor dat ook in de toekomst goede cultuureducatie voorhanden blijft in een relatief gezonde arbeidsmarkt? Bas Verberk pleit voor cultuureducatie als publieke zaak.

Foto: Koektrommel Studio

De geschatte leestijd van dit artikel is 7 minuten.

In de Tilburgse LocHal was onlangs het kunstproject Human Rights Tattoo van Sander van Bussel te bewonderen. Sinds 2012 tatoeëert hij letter voor letter de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens op lichamen over de hele wereld, één letter per persoon. Ik ben zelf onderdeel van dit kunstwerk. Op mijn rechterhiel staat de letter ‘o’ uit artikel 23: ‘Everyone, without any discrimination, has the right to equal pay for equal work’.

En hoewel we, als het aankomt op het vragen van aandacht voor mensenrechten, vaak de neiging hebben om ons te richten op misstanden elders in de wereld is de bittere conclusie dat het ons in Nederland niet lukt om dit te recht te realiseren. Het bekendste voorbeeld hiervan is de nog altijd bestaande kloof tussen het salaris van mannen en vrouwen voor hetzelfde werk. Een minder bekend voorbeeld is de cultuureducatiesector, waarin docenten voor hetzelfde werk op verschillende plekken soms wel drie keer minder betaald worden. Ik ben het aan mijn tattoo verplicht om het probleem onder de aandacht te brengen.

‘Ik ben het aan mijn tattoo verplicht om het probleem onder de aandacht te brengen

Oorzaak 1: De dubbele kloof

Het probleem in een notendop. Helaas zijn er in de afgelopen decennia verschillende, door de overheid gesubsidieerde, muziekscholen en centra voor de kunsten verdwenen. Op de meeste plekken hebben de docenten hun activiteiten voortgezet als zelfstandig ondernemer. Als gevolg van de weggevallen overheidssteun namen zij meestal noodgedwongen genoegen met een lager uurtarief voor zichzelf, om de rekening niet bij de leerling te hoeven leggen. De uren voor bijvoorbeeld administratie en werving worden vaak zelfs helemaal niet doorberekend. De weinige overgebleven gesubsidieerde instellingen zijn vaak aangesloten bij de CAO, met daarin afspraken over zaken als pensioenopbouw, ziektekostenverzekering en scholingsbudget. Zelfstandige docenten regelen die zaken zelden of nooit en berekenen ze niet door aan de leerling, omdat het lestarief dan te hoog wordt. Het gevolg is dat de kloof tussen docenten die onder de CAO vallen en die als zelfstandige werken zo groot is dat de eerste meer dan het dubbele verdient.

Dat probleem wordt elk jaar groter; als gevolg van onderhandelingen stijgen de CAO-salarissen ieder jaar sterker dan de indexatie die zelfstandigen voor zichzelf doorvoeren. Als de subsidie van de overheid en overige inkomsten vervolgens niet meestijgen lukt het gesubsidieerde organisaties niet meer om te concurreren met de tarieven van zelfstandigen. Hierdoor neemt de ‘goedbetaalde’ werkgelegenheid af. Dat begrijpt de vakbond ook en daarom worden de onderhandelingen ook nooit te hard gespeeld. Het gevolg daarvan is echter dat de sector óók al jarenlang achterblijft op andere sectoren, zoals primair onderwijs. Daarmee wordt de kloof aan die kant ook steeds groter. Het resultaat is dus een dubbele salariskloof tussen zelfstandige docenten aan de ene kant en docenten in beter betaalde sectoren aan de andere kant.

Kostprijs van 1 lesuur voor een docent, CAO kunsteducatie schaal 8
(inclusief voorbereidingstijd, overige taakuren, pensioenopbouw, ziektekostenverzekering, e.d.)
€ 72,-
Tarief van zzp’ers per lesuur€ 20,- tot € 75,-
(gem.
€ 41,20)

Voor dit voorbeeld is gebruik gemaakt van de kostprijs die bij Factorium Cultuurmakers van toepassing is en de steekproef van Imre Kruis naar tarieven van muziekdocenten.

Oorzaak 2: (Zelf)concurrentie

Maar het probleem ligt nog ingewikkelder. De zelfstandig ondernemende docent en de docent in loondienst bij een gesubsidieerde organisatie zijn dezelfde persoon. Neem bijvoorbeeld een docent die dansles geeft bij een gesubsidieerde organisatie. Deze organisatie heeft echter maar voor drie dagen werk te bieden. Daarom geeft de docent ook nog les als zelfstandige. Omdat de docent als zelfstandige geen subsidie ontvangt en het lestarief niet te hoog wil maken voor de leerling neemt deze als zelfstandige genoegen met een lagere vergoeding dan wat hij verdient bij de gesubsidieerde organisatie (en vergeet de opmerkingen over het onbetaalde extra werk en de secundaire arbeidsomstandigheden, zoals pensioenopbouw, niet).

Stel nou dat de docent uit het voorbeeld op de twee overige dagen in de week als zelfstandig docent werkzaam is in dezelfde of in een aangrenzende gemeente. Dan is diegene dus hetzelfde werk aan het doen voor de helft van het geld binnen een straal van pak en beet 5 kilometer. Stel dat de gesubsidieerde organisatie, als gevolg van stijgende Cao-lonen en het achterblijven van stijgende subsidies, vervolgens niet meer kan concurreren met het tarief van de zelfstandige docent. Dan gaan deelnemers binnen die straal van 5 kilometer dus op een andere plek, voor minder geld, lessen volgen van precies dezelfde docent.

Zo kan het dus gebeuren dat de gesubsidieerde organisatie de lessen moet stopzetten door teruglopende aanmeldingen. Soms ontvangt de docent dan noodgedwongen (deeltijd)ontslag. Plat gezegd heeft de docent zich zijn eigen ‘goedbetaalde’ werk ontnomen door zichzelf weg te concurreren als zelfstandig docent in dezelfde of omliggende gemeente.

Natuurlijk zijn niet alle docenten met een contract concurrent van zichzelf. Maar dan nog zijn er vaak andere zelfstandige docenten in dezelfde of omliggende gemeente actief die vergelijkbare lessen aanbieden. Het effect daarvan is hetzelfde.

‘De zelfstandig ondernemende docent en de docent in loondienst zijn dezelfde persoon’

Oorzaak 3: De smalle focus van de Fair Practice Code

Je kunt je afvragen wie er nou eigenlijk verantwoordelijk is voor dit bizarre resultaat. Is de professional niet gewoon zelf verantwoordelijk voor het vragen van een fatsoenlijk tarief en het regelen van pensioen en ziektekostenverzekering? Dat zou zeker zo moeten zijn, maar helaas is dat een vrijheid die een zelfstandig docent niet zal voelen. Berekent een zelfstandig docent een dergelijk uurtarief, pensioen en andere secundaire zaken en alle extra taken, zoals administratie, aan de leerling door? Dan wordt de prijs van zijn lessen zo hoog dat er waarschijnlijk niemand meer komt. Bovendien zou je daar dan als sector met elkaar afspraken over moeten maken. Maar dat is dan weer bij wet verboden. Als je als docent wilt blijven doen waar je voor bent opgeleid, is er geen andere keuze dan om mee te gaan in deze ‘race to the bottom’.

Natuurlijk zijn er nog andere manieren dan prijsafspraken te bedenken om als sector gezamenlijke verantwoordelijkheid te nemen voor de ongezonde arbeidsmarkt. Dat gebeurt bijvoorbeeld door middel van de Fair Practice Code die in 2017 door Kunsten ’92 is ontwikkeld. Hoewel de code inhoudelijk veel te bieden heeft, werkt het vooralsnog averechts. Overheden dwingen het toepassen van de code (terecht) af aan organisaties met wie ze een subsidierelatie hebben. Daarmee wordt de kloof tussen gesubsidieerde organisaties en zelfstandige aanbieders echter alleen maar groter, vergelijkbaar met de kloof die eerder al genoemd werd. Voor zelfstandige docenten is toepassing van de code in de praktijk simpelweg onmogelijk. Aangezien het aantal gesubsidieerde organisaties nog steeds afneemt in plaats van toeneemt wordt ook de toepassing van de code dus eerder minder dan meer. De focus is te smal.

‘De Fair Practice Code werkt averechts’

Oorzaak 4: Mismatch opleiding en arbeidsmarkt

Wat misschien vreemd is na het lezen van bovenstaande is dat ook in de cultuureducatie een enorm tekort is aan arbeidskrachten. Alleen hebben de professionals niet de juiste vaardigheden en interesses. Vaak zijn zij in de eerste plaats actief als uitvoerend kunstenaar. Daar zijn zij voor opgeleid en in aanvulling daarop geven zij les. Dit type docent heeft dus vaak een vrij smalle didactische en pedagogische bagage. Het liefst geven ze een-op-een les aan gemotiveerde leerlingen in een specifieke discipline, zoals viool of ballet. Dit is niet het type werk waar veel werkgelegenheid voor is. Het meeste werk is namelijk voorhanden in het domein van brede kennismaking, waaronder in het onderwijs en het sociaal domein. Denk aan klassikale lessen, of groepslessen in het naschoolse en danslessen met ouderen in een verzorgingstehuis.

Dit vraagt echter andere competenties en interesses van docenten. Helaas worden er nog altijd veel studenten opgeleid tot uitvoerend kunstenaar. De meesten kunnen echter niet volledig rondkomen van het kunstenaarschap. Veel van hen komen bovendien uit het buitenland en spreken geen Nederlands, wat voor het werken met kinderen noodzakelijk is. Degenen die de juiste competenties hebben, kiezen vaak voor werk in het voortgezet onderwijs of andere posities aan ‘de andere kant van de kloof’ die beter betalen, zoals lesgeven aan een pabo. Goede nascholing om de mismatch te verkleinen is helaas onvoldoende beschikbaar.

‘Professionals hebben niet de juiste vaardigheden en interesses’

Oplossing: Beschouw cultuureducatie als publieke taak

Natuurlijk zou ik een slechte criticus zijn als ik alleen vier oorzaken zou geven voor een probleem zonder ook aandacht te schenken aan de oplossingen. De meest voor de hand liggende oplossing is om cultuureducatie te beschouwen als een publieke zaak. In een nog niet zo ver verleden waren muziek- en dansdocenten zelfs in dienst van de gemeente. Het lijkt een utopie vergeleken bij de wereld waarin we momenteel leven. Net als voor andere publieke sectoren, zoals onderwijs en zorg, geldt dat inmiddels duidelijk is dat marktwerking leidt tot slechtere kwaliteit en arbeidsomstandigheden.

Oplossing: Ontwikkel regelgeving voor zzp’ers

Mocht de eerste oplossing te ver gegrepen zijn, dan nog kan de overheid haar verantwoordelijkheid nemen door regelgeving voor zzp’ers te ontwikkelen waardoor de ‘race to the bottom’ wordt bemoeilijkt. Denk aan verplichte verzekering tegen arbeidsongeschiktheid, pensioenopbouw, et cetera. Een wet waarmee dit mogelijk geregeld wordt is al een tijdje in de maak. Maar de kans dat het de komende jaren wordt ingevoerd is klein.

Oplossing: Maak van het vak een beschermd beroep

Welke oplossingen liggen wat meer binnen onze eigen invloedsfeer? Een mogelijkheid is misschien om van het vak een beschermd beroep te maken. Om voor een certificaat in aanmerking te komen moet een docent dan aan bepaalde beroepseisen voldoen, bijvoorbeeld het hanteren van de Fair Practice Code. Daarmee kunnen we als sector de Fair Practice Code dus toch breder toepassen dan enkel op het gesubsidieerde deel. Zelfstandige docenten zullen hun tarief wat moeten verhogen, maar kunnen zich ook onderscheiden van niet-gekwalificeerde aanbieders.

De enige weg: Betere samenwerking

Daarmee eindig ik met wat, gegeven de huidige stand van zaken, de enige weg is die ik voor gesubsidieerde centra voor de kunsten zie: het eigen specialistische aanbod verminderen en samenwerken met zelfstandige aanbieders. Centra voor de kunsten focussen zich dan op de brede kennismaking, binnenschoolse cultuureducatie en kunstbeoefening in het sociaal domein. En voor specialistische lessen verwijzen ze door naar zelfstandige docenten met wie afspraken gemaakt worden, waaronder over de toepassing van de Fair Practice Code.

Het is een zwaktebod, daar ben ik mij van bewust, maar de enige manier om, als er niks verandert, op de lange termijn te blijven zorgen dat er goede cultuureducatie voorhanden blijft in een relatief gezonde arbeidsmarkt. Uiteindelijk gaat het er allemaal ook om dat andere artikel uit het verdrag van de rechten van de mens te realiseren, namelijk artikel 27: “Everyone has the right freely to participate in the cultural life of the community, to enjoy the arts and to share in scientific advancement and its benefits.”

Jouw visie

Wat vind jij van de voorstellen die Bas in dit artikel beschrijft? Laat jouw mening achter in een reactie onder dit artikel.

‘Focus op brede kennismaking, binnenschoolse cultuureducatie en het sociaal domein’

Verder lezen

Vond je dit artikel interessant?

Gemiddelde 4.9 / 5. totaal 7

Reageer (je reactie verschijnt na goedkeuring, vanwege spam)

Reacties (2)
Anoek 15-04-2024

Beste Bas,
Mooi artikel wat de problemen in de sector goed aankaart. Ik mist echter nóg een probleem: zelfs als kunstenaars goed opgeleid of nageschoold zijn om les te geven in het onderwijs, dan staat daar alsnog geen goede vergoeding tegenover. Niet alleen in geld, zoals je al aangeeft, maar het probleem is ook dat je in het onderwijs vaak 'ingevlogen' wordt voor korte, eenmalige lessen. Daardoor moet je als zzp'er je andere werkzaamheden indelen rond die losse uurtjes. De les voorbereiden, materiaal verzamelen wat de school niet heeft, erheen reizen, alles klaarzetten en naderhand opruimen, en dan weer terugreizen... Weinig daarvan wordt vergoed, als je al een vergoeding krijgt voor bijvoorbeeld de lesvoorbereiding. Die magere vergoeding wordt dan nóg magerder. Tegelijkertijd ben je wel de tijd kwijt om bijvoorbeeld midden op de dag naar een school te reizen voor 1,5 uur les geven. Soms is dat het niet waard, omdat de energie en tijdsinvestering niet strookt met de financiële vergoeding die er tegenover staat. Het geven van kunstlessen in het onderwijs is dus niet altijd gemakkelijk te combineren met je eigen kunstpraktijk of opdrachtgevers van het kunstvak wat je uitvoert.

reageer
Marieke 19-04-2024

Klopt inderdaad Anoek, dit hebben we voor het onderwijs bij Factorium rechtgetrokken sinds dit jaar, een mooie en eerlijke stap vind ik!

reageer
Geert Drion 03-04-2024

Beste Bas,
Een mooie 'longread' met een verrassende invalshoek! Goed om over dit onderwerp verder te denken en een openbaar debat te voeren.

Je brengt naar voren hoe “marktfalen” in de traditionele kunsteducatie leidt tot een toenemende ongelijkheid in de beloning tussen docenten in loondienst en zelfstandigen. Zolang de overheid geen maatregelen neemt, moeten de centra voor de kunsten hun rol als werkgever van traditionele kunstdocenten verkleinen, omdat de centra zich dan effectiever kunnen inzetten om de inkomensongelijkheid onder docenten te verhelpen. Dat is een plicht van alle centra voor de kunsten op grond van artikel 23 van de UVRM.

Ik heb daarbij een kanttekening. Als ik je goed begrijp, dan breng je een scheiding aan tussen publieke waarden (die door de overheid moeten worden geborgd) en universele rechten (waar alle instellingen en burgers aan bij moeten dragen). Ik denk dat die onderverdeling niet erg helpend is voor de situatie van de kunsteducatie in ons land.

Publieke instellingen zoals muziekscholen en centra voor de kunsten zijn bij uitstek plekken die zelf actief hun publieke meerwaarde kunnen vormgeven en uitdragen; juist in Nederland is dat maatschappelijke middenveld een krachtige factor. De verantwoordelijkheid en rol van publieke instellingen is daarmee breder dan alleen een objectieve uitvoerder van beleid of een "toedeler" van rechten.

Elders (CplusE 64) heb ik de suggestie gedaan dat de centra voor de kunsten in deze tijd twee aparte ‘lijnen van verantwoordelijkheid’ hebben: talentontwikkeling (hoe word ik?) en culturele democratie (hoe worden wij?). De centra voor de kunsten kunnen die verantwoordelijkheid vormgeven door verbeeldingskracht in te zetten om de “wordingen” in de samenleving te ondersteunen.
Dat kunnen de centra doen door ontmoetingsplekken in te richten (binnen en buiten hun muren) en die ontmoetingsplekken te verrijken met de kunsten en de kunstenaarsmindset. Ook de “traditionele” kunstlessen kunnen van een dergelijke infrastructuur heel goed onderdeel uitmaken - en er zijn goede argumenten om dat in een publieke voorziening te verankeren.

Het gaat dan, kortom, om meer dan rechten en arbeidsmarkt. Of anders gezegd, de toepassing van rechten en inrichting van de arbeidsmarkt staan dan in het teken van de publieke waarde die de centra voor de kunsten aan de samenleving toevoegen; niet andersom. De vraag of de centra het werkgeverschap van de traditionele kunstlessen moeten opgeven, moeten we, denk ik, in de eerste plaats in dát licht beantwoorden. Dan komen we misschien tot andere afwegingen over welke vorm van werkgeverschap en arbeidsmarkt passend zijn voor de actuele meerwaarde die de centra voor de kunsten aan de moderne samenleving kunnen bieden.

reageer
Bas Verberk 22-04-2024

Hoi Geert,

Bedankt voor je reactie. Mooi om het vanuit een andere invalshoek te bekijken.

Ik lees je bijdrage als een alternatieve oplossing voor de vier oplossingen die ik voorstel aan het einde van het stuk. Jouw oplossing richt zich alleen niet zozeer op de arbeidsmarkt an sich, maar op het ‘waartoe’ van een CvdK waarvan het arbeidsmarktvraagstuk vervolgens het uitwerking is. Een hele interessante denklijn.

Wat ik er lastig aan vind is dat het nogal veel verandering vraagt ten opzichte van de huidige situatie en ook van andere organisaties, mensen, etc. waar ik geen directe invloed op heb. Bijna een soort paradigmashift. Ik zie het eerder steeds meer een neoliberale/consumentistische/kapitalistische kant op gaan. Dat maakt dat ik nu wat meer geneigd ben pragmatische oplossingen te omarmen waarin ik zoveel mogelijk van de kernwaarden probeer te borgen.

reageer
Bijgewerkt op:
Gepubliceerd:
Deel dit artikel