Muziekonderwijs: de vier dingen die er écht toe doen

Stop met het tellen van muziekscholen
Bijgewerkt op:
Gepubliceerd:
Deel dit artikel
We kunnen het aantal gemeentelijke muziekscholen in ons land tellen en somberen over de staat van het muziekonderwijs, schrijft Marijn Cornelis. Maar wat doet er wél toe?

Dit is een artikel uit de Cultuurkrant, editie 39.

Een groep kinderen volgt samen muziekles. Op de voorgrond bespeelt een kind een digitaal piano­toetsenbord, terwijl anderen met een viool en gitaar klaarzitten. Een docent begeleidt de les vanuit een kringopstelling in een lichte, warme binnenruimte.
Foto: Canva

‘Het antwoord zit niet in het aantal muziekscholen. Het zit in de vraag of een kind, waar dan ook, betaalbaar en goed les kan krijgen en zijn talenten kan ontwikkelen’

Ik hoor het steeds weer terugkomen: de stellige overtuiging dat er bijna geen muziekscholen meer zijn in Nederland. De oorsprong van deze mythe lijkt te liggen in de Zembla-documentaire Muziekschool in mineur uit 2021, waarin wordt gesteld dat er nog maar 12 muziekscholen zijn. Sindsdien zingt dat getal rond en wordt het regelmatig aangehaald als bewijs dat het muziekonderwijs in Nederland zo goed als verdwenen is.

Vertekend beeld

Dit getal 12 verwijst naar het aantal organisaties binnen branchevereniging Cultuurconnectie dat zichzelf specifiek ‘gemeentelijke muziekschool’ noemt. Cultuurconnectie telt in totaal echter 167 leden: muziekscholen, kunstencentra en gecombineerde instellingen, zoals een bibliotheek of podium gecombineerd met kunstonderwijs. Vrijwel al die organisaties verzorgen muziekonderwijs. En daarbuiten bestaat nog een veel grotere wereld van zelfstandige docenten, coöperaties en andere aanbieders. Alleen al in 2022 stonden bij de Kamer van Koophandel ruim 14.700 aanbieders van cultureel onderwijs ingeschreven, waarvan muziek veruit de grootste discipline is. Het aantal van 12 muziekscholen is dus een vertekend beeld.

In feite is het aantal muziekscholen ook van ondergeschikt belang. Eén muziekschool kan een enorm werkgebied bestrijken. Neem Muziekschool Zeeland: die heeft een structurele subsidierelatie met 10 van de 13 Zeeuwse gemeenten, en bedient daarmee bijna de hele provincie. Het aantal gebouwen of instellingen zegt dus verrassend weinig over de beschikbaarheid van muziekonderwijs.

Daarom is het veel interessanter om te kijken hoeveel gemeenten muziekonderwijs nog subsidiëren. Uit onderzoek van LKCA blijkt dat ongeveer de helft van de Nederlandse gemeenten op dit moment ‘beleid heeft’ voor een instelling die buitenschoolse kunsteducatie aanbiedt. Maar wat dat beleid dan behelst, verschilt enorm per gemeente en ook het subsidiebedrag dat gemeenten erop inzetten is sterk variërend.

Gesubsidieerd muziekonderwijs wordt door velen geassocieerd met ‘betaalbaar voor iedereen’. Maar een quickscan naar tarieven bij gesubsidieerde muziekscholen laat zien dat de prijzen ook bij gesubsidieerd onderwijs flink uiteenlopen, van 480 tot 1.110 euro per jaar. En onderzoekers Kruis en Bisschop Boele vonden in 2023 dat een uur les bij een gesubsidieerde muziekschool gemiddeld maar 5,50 euro goedkoper is dan bij een zzp’er zonder subsidie. Niet niets, maar ook niet het verschil tussen wel of geen toegang.

Toch klopt het gevoel van veel mensen wel: er is veel veranderd in het muziekonderwijs in de vrije tijd. Muziekonderwijs bestond lange tijd uit een mix van gesubsidieerd onderwijs via een instelling én uit grote aantallen zzp’ers. Die vulden elkaar aan. Veel kinderen startten op een muziekschool of kunstencentrum en volgden daarna privéles bij een zzp’er. De muziekschool was een zichtbaar instituut, waar je laagdrempelig heen kon en dat stond voor kwaliteit.

Er is de afgelopen decennia veel bezuinigd en een groot aantal docenten dat in vaste dienst was bij muziekscholen, is nu noodgedwongen zzp’er en geeft thuis les. Dat leidt tot versnippering en minder zichtbaarheid en vindbaarheid van het muziekonderwijs. Samenspel, theorielessen, voorspeelmomenten en toptalentklassen zijn voor zzp’ers moeilijker te organiseren. En zzp’ers die hun lessen betaalbaar willen houden, verdienen daardoor zelf weinig. Pensioen en arbeidsongeschiktheidsverzekeringen zijn voor hen nauwelijks betaalbaar.

Dit alles leidt tot een negatieve spiraal. Want wie vindt het perspectief om muziekdocent te worden nog aantrekkelijk? Inmiddels merken we tekorten, met name in de provincie. En dat leidt tot kansenongelijkheid.

Wat bepaalt écht de toegang toe muziekonderwijs

Ik pleit er daarom voor te stoppen met het tellen van gebouwen of instellingen als maat voor toegang tot muziekonderwijs en te stoppen met somberen dat er geen muziekonderwijs meer is. Daarmee doen we de sector en alle zzp’ers en andere docentenverbanden tekort. Kijk in plaats daarvan naar vier dingen die er echt toe doen.

Ten eerste: betaalbaarheid van muziekonderwijs in elke gemeente, ongeacht of het aanbod gesubsidieerd is of niet. Ten tweede: fair pay, want betaalbaarheid mag niet over de rug van de aanbieders gaan. Ten derde: bereikbaarheid en beschikbaarheid, want ieder kind zou dichtbij de keuze moeten hebben om zoveel mogelijk instrumenten te kunnen bespelen. En ten vierde: kwaliteit, want wie lesgeeft aan kinderen mag aan de hoogste eisen worden gehouden.

Het antwoord zit niet in het aantal muziekscholen. Het zit in de vraag of een kind, waar dan ook, betaalbaar en goed les kan krijgen en zijn talenten kan ontwikkelen.

Toegang tot de top  

Marijn Cornelis was betrokken bij Toegang tot de top – het Blueyardonderzoek naar toptalent-ontwikkeling in klassieke muziek en dans.


Vond je dit artikel interessant?

Gemiddelde 5 / 5. totaal 1

Reageer (je reactie verschijnt na goedkeuring, vanwege spam)

Reacties (0)
Bijgewerkt op:
Gepubliceerd:
Deel dit artikel