Dit is een artikel uit de Cultuurkrant, editie 37.

‘Middelbare scholen, wijkcentra – desnoods bij de supermarkt’
Nu de gemeenteraadsverkiezingen achter de rug zijn, worden op veel plekken de lokale akkoorden geschreven. Dat is precies het moment waarop wordt bepaald wat gemeenten de komende jaren écht belangrijk vinden. Voor cultuureducatie en cultuurbeoefening is dat cruciaal, want dit zijn bij uitstek domeinen waarin gemeenten het verschil maken.
CBS berekende onlangs dat gemeenten, gecorrigeerd voor inflatie, steeds minder geld uitgeven aan kunst- en cultuureducatie. LKCA-onderzoekers schreven er eerder over in deze krant. Die daling is opmerkelijk. In bijna elke gemeente die ik ken, is er brede consensus dat cultuureducatie en cultuurbeoefening van grote waarde zijn: voor persoonlijke ontwikkeling, voor sociale cohesie, voor welzijn. En toch zien we in de praktijk dat juist hier relatief makkelijk op wordt bezuinigd.
Dat heeft, denk ik, minder te maken met onwil dan met een gebrek aan concrete handvatten. Ambities zijn er volop. Zinnen als ‘Iedereen moet mee kunnen doen’ kom je in vrijwel elke cultuurnota tegen. Maar hoe vertaal je dat naar concreet beleid? Zonder duidelijke richtlijnen blijft het abstract – en abstracte ambities zijn kwetsbaar in tijden van financiële druk.
Inspiratie uit de stedenbouwkunde
Misschien kunnen we ons laten inspireren door een heel andere sector. Stedenbouwkundige Cecil Konijnendijk introduceerde een paar jaar geleden de 3-30-300-regel voor vergroening van steden. Simpel, concreet en toepasbaar: vanuit elk huis drie bomen kunnen zien, 30 procent boomkroonbedekking in de buurt en binnen 300 meter toegang tot groen. Sindsdien wordt deze regel wereldwijd gebruikt door lokale overheden, juist omdat hij richting geeft zonder dicht te regelen.
Waarom zouden we zoiets niet ook doen voor cultuureducatie en cultuurbeoefening?
10-20-30 regel
Ik pleit voor een 10-20-30-regel als minimale richtlijn:
10: elk kind moet in de onder- of middenbouw van de basisschool op school of op maximaal 10 minuten lopen van huis of school (gratis of bijna gratis) kennis kunnen maken met álle kunstvormen. Dit kan onder schooltijd, in de verlengde schooldag of via de naschoolse opvang, in de bibliotheek of in het buurthuis.
20: vervolgens heeft ieder kind recht op verdiepend kunstonderwijs binnen 20 minuten fietsafstand. Denk aan een instrument leren bespelen, dans-, theater- of beeldende lessen volgen.
30: tot slot moeten kinderen en jongeren binnen 30 minuten met het OV culturele activiteiten samen met anderen kunnen doen of beleven. Repetitieruimtes, theaters, musea, kunstencentra, buurthuizen of broedplaatsen – plekken waar bandjes kunnen oefenen, orkesten samen spelen of voorstellingen bezocht worden.
Dit klinkt misschien logisch, maar ik zie in de praktijk hoe vaak deze basis ontbreekt. Ik heb gemerkt dat veel kinderen in de basisschoolleeftijd hun wijk vrijwel nooit uitkomen, en dat ouders geen kans zien om hen naar lessen verder weg te brengen. En ik ken genoeg jongeren die enthousiast zijn na een schoolproject, maar daarna simpelweg afhaken omdat het vervolg te ver weg, te duur of te ingewikkeld is.
Routes, betaalbaarheid en continuiteit
Bij het inrichten van die 10-20-30-structuur zijn drie dingen essentieel.
Ten eerste: veilige loop- en fietsroutes of goed OV. Praktische drempels zijn vaak doorslaggevend, zeker voor kinderen uit gezinnen met weinig tijd, geld of vervoersmogelijkheden. Als korte afstanden niet haalbaar zijn, organiseer het aanbod dan op plekken waar kinderen en ouders toch al komen: sportaccommodaties, middelbare scholen, wijkcentra – desnoods bij de supermarkt. Juist in wijken met een lage sociaaleconomische status.
Ten tweede: betaalbaarheid voor iedereen. Wie cultuureducatie volledig aan de markt overlaat, weet één ding zeker: kinderen uit kansarmere gezinnen vallen als eerste af. Dat zie ik al jaren gebeuren. Bedenk als gemeente hoe je cultuureducatie en -beoefening juist voor hén betaalbaar houdt.
Ten derde: continuïteit. Er zijn veel culturele initiatiefnemers met prachtig aanbod die er gek van worden dat ze steeds opnieuw hun bestaansrecht moeten bewijzen en van subsidie naar subsidie moeten hoppen. Zijn er aanbieders van cultuur in je gemeente die bewezen goed werk doen en juist kinderen in achtergestelde wijken weten te bereiken? Koester ze en bied continuïteit door langjarig locaties of subsidies beschikbaar te stellen.
Een eenvoudige richtlijn als 10-20-30 kan helpen om intenties te vertalen naar keuzes. Niet als keurslijf, maar als ondergrens. Want toegang tot cultuur zou geen toeval mogen zijn. Geen kwestie van postcode of ouders die het kunnen betalen. Het zou net zo vanzelfsprekend moeten zijn als toegang tot groen.
Verder lezen
- In het kader van de gemeenteraadsverkiezingen maakte LKCA een themapagina waarop diverse kennisdossiers, artikelen en publicaties over het gemeentelijk beleid voor cultuurbeoefening terug te vinden zijn.

Reageer (je reactie verschijnt na goedkeuring, vanwege spam)