Gemeenten erkennen waarde cultuur

Monitor Gemeentelijk Beleid
Bijgewerkt op:
Gepubliceerd:
Deel dit artikel
De meerderheid van de gemeenten kent publieke waarde toe aan cultuureducatie en voor cultuurparticipatie. Dat is het goede nieuws uit het monitoronderzoek van het LKCA naar gemeentelijk beleid. Keerzijde is dat dit beleid ook kwetsbaar is door het ontbreken van een wettelijke basis, voldoende menskracht en middelen.  

Er zijn weliswaar diverse landelijke regelingen voor cultuureducatie en -participatie, maar uiteindelijk krijgt cultuurbeleid vooral lokaal vorm. In steden en dorpen maken leerlingen via lessen en activiteiten kennis met cultuur en vinden amateurkunstenaars verenigingen en podia om hun hobby te beoefenen.  
Om zicht te krijgen op hoe gemeenten dit beleid vormgeven, startte LKCA in 2019 een onderzoek. In totaal vulden honderdtwintig gemeenten (34% van het totaal) uit het hele land een vragenlijst in en waren er interviews met twaalf gemeentelijke beleidsmedewerkers.  

Publieke waarde

De eerste conclusie is dat gemeenten cultuureducatie en -participatie zien als waardevol voor de gemeenschap. Ze zien bovendien een rol voor zichzelf weggelegd om die waarde te verzilveren. Zo heeft de overgrote meerderheid beleid voor cultuureducatie (95%) en voor actieve cultuurparticipatie (89%), doorgaans ook vastgelegd in een beleidsnota. 

De meest genoemde doelen voor cultuureducatiebeleid zijn het bevorderen van cultuurdeelname, talentontwikkeling, artistieke en persoonlijke ontwikkeling en 21e-eeuwse vaardigheden (zoals creativiteit). Voor het cultuurparticipatiebeleid gaat het onder meer om het bevorderen van actieve deelname aan cultuur en het maatschappelijke leven, sociale cohesie en het profileren van de gemeente als aantrekkelijke vestigingsplaats.  

Cultuureducatiebeleid is vooral gericht op kinderen in de basisschoolleeftijd en in iets mindere mate op jongeren (12-18 jaar), het cultuurparticipatiebeleid richt zich in principe op alle burgers.  

Samenwerking

Om burgers de waarde van cultuur(deelname) te laten ervaren hebben gemeenten andere partijen nodig. Zoals een van de geïnterviewde beleidsmedewerkers stelt: ‘Wij maken zelf geen cultuur, zo simpel is het.’  
Bijna de helft van de gemeenten kiest voor een stimulerende rol: proberen anderen in beweging te krijgen om de cultuurdoelen te realiseren. De overige kiezen voor een minder intensieve rol (‘faciliteren’) of juist een steviger rol (‘regisseren’). Bij cultuureducatiebeleid kiezen meer gemeenten voor de rol van regisseur dan facilitator, bij het cultuurparticipatiebeleid is dit precies omgekeerd. Maar bij elke rol is samenwerking essentieel. Zo stimuleren gemeenten dat scholen en culturele instellingen samenwerken, bijvoorbeeld door cultureel aanbod voor het onderwijs te laten ontwikkelen. En binnen het cultuurparticipatiebeleid stimuleren ze samenwerking tussen de verschillende lokale culturele aanbieders, en tussen culturele aanbieders en welzijns- en zorgorganisaties.

Geen wettelijke taak

Cultuureducatie en -participatie zijn geen wettelijke taken voor gemeenten; ze mogen het beleid op deze terreinen naar eigen inzicht invullen. Wel laat het onderzoek zien dat landelijke regelingen het gemeentelijk beleid sterk (kunnen) sturen. Zo is het merendeel van de gemeenten aangehaakt bij het programma Cultuureducatie met Kwaliteit (CmK) en bij de Brede Regeling Combinatiefuncties. Keerzijde hiervan is dat gemeentelijk beleid ook afhankelijk kan worden van het landelijke. Sommige geïnterviewde beleidsmakers vragen zich bijvoorbeeld af of hun cultuureducatiebeleid niet zal sneuvelen wanneer CmK zou stoppen

Om bij het ontbreken van wettelijke sturing culturele organisaties en scholen toch te ondersteunen en te stimuleren zetten bijna alle gemeenten subsidies in. Een ander belangrijk duwtje geven door de gemeente aangestelde intermediairs als een cultuurcoach, cultuurmakelaar of cultuurscout. Maar de financiering van deze instrumenten komt veelal ook uit landelijke regelingen en afspraken tussen rijk, provincies en gemeenten. Dat maakt het beleid kwetsbaar, want binnen de lokale politiek hebben cultuureducatie en -participatie een relatief marginale positie. Binnen de gemeentelijke organisatie is er weinig budget en menskracht voor. De meeste gemeenten hebben maar één medewerker voor deze beleidsterreinen, die dan vaak ook nog meer terreinen in de portefeuille heeft.

Er dreigen, zo melden de geïnterviewde beleidsmedewerkers, voortdurend bezuinigingen, met cultuur als eerste slachtoffer. De cultuurthema’s staan niet hoog op de lokale politieke agenda: slechts in een op de vijf gemeenten besteden de meeste politieke partijen expliciet aandacht aan cultuureducatie en cultuurparticipatie in hun verkiezingsprogramma’s en stellen ze regelmatig raadsvragen op deze thema’s.  

Eenpitters

In het lokale beleid voor cultuureducatie en -participatie is de beleidsmedewerker een belangrijke spin in het web. Deze moet over veel vaardigheden beschikken om alle ballen in de lucht te houden binnen dit complexe beleidsterrein.

Ze omschrijven zichzelf als ‘eenpitters’: ze adviseren en informeren het college van B&W en de raadsleden gevraagd en ongevraagd, onderhouden contact met een groot aantal partijen binnen en buiten de gemeente, coördineren de uitvoering en de monitoring en evaluatie.

Uit de interviews komen de beleidsmedewerkers naar voren als bevlogen duizendpoten. Die bevlogenheid is nodig om het ervaren gebrek aan tijd en capaciteit te compenseren, maar onderstreept tegelijkertijd de kwetsbare positie van cultuureducatie en -participatie in gemeenten.  

Vond je dit artikel interessant?

Gemiddelde 5 / 5. totaal 4

Reageer (je reactie verschijnt na goedkeuring, vanwege spam)

Reacties (0)
Bijgewerkt op:
Gepubliceerd:
Deel dit artikel