We dreigen het cultuurpubliek te vergeten

Gepubliceerd:
Deel dit artikel

Prima die steun in crisistijd voor grote culturele instellingen, maar denk ook aan liefhebbers van cultuur, zegt Veerle Spronck.

Het is woensdagavond. Hier in huis betekent dat tijd voor contrabasles. In plaats van op mijn fiets te stappen, bouw ik mijn opstelling aan de keukentafel op. Laptop, Zoom open, ‘original sound’ aan, muziekstandaard, strijkstok en mijn instrument binnen handbereik.

Tijdens mijn contrabasles vorige week maakte het kabinet bekend dat het 300 miljoen extra vrijmaakt voor de culturele sector. Voor de culturele instellingen die van ‘vitaal belang’ zijn. Het is belangrijke en langverwachte steun, maar vooralsnog uitsluitend gericht op het beperken van de economische schade in de culturele basisinfrastructuur. Financiële compensatie van bezoekers die niet konden komen naar de grote culturele instellingen. Er wordt gediscussieerd over andere cultuurprofessionals die in financieel zwaar weer verkeren. Over de zzp’ers in de sector, het voortbestaan van kleine podia, gezelschappen, instellingen. Maar waar zijn de liefhebber en de amateur in het debat over kunst in de anderhalvemetersamenleving? Het gebrek aan aandacht voor cultuurparticipatie vertelt ons iets over hoe wij denken over de waarde van kunst.

Cultuurparticipatie

Online contrabasles krijgen is een wonderlijke ervaring. De lage tonen die het instrument maakt, worden door mijn laptop als achtergrondgeluid herkend. Het kost moeite om hoorbaar te blijven. Zodra de fluitketel in de keuken zich laat horen of buiten een ambulance langsrijdt, verliest mijn contrabas het in Zoom. Weggefilterd. Geen aandacht meer.

Cultuurparticipatie lijkt op eenzelfde manier de aandacht te verliezen, wanneer economische problemen zich aandienen. Toch is het al sinds het begin van de eenentwintigste eeuw een van de speerpunten in het Nederlandse cultuurbeleid. Niet alleen de kaartjes die verkocht worden, maar ook de vrije tijd die mensen besteden aan het beoefenen van kunst en cultuur kreeg aandacht van de regering, voordat de coronacrisis zich aandiende. Cultuur in de klas en in de woonwijk waar professionals en amateurs samenwerken wordt steeds belangrijker gevonden, concludeerden sociologen Koen van Eijck en Evert Bisschop Boele. Waarom hebben we het nu toch amper over de amateurorkesten die massaal hun repetities moeten afzeggen en over het publiek dat op nieuwe manieren moet leren participeren?

Leerprocessen

Anders dan bij de culturele instellingen in de basisinfrastructuur gaat het bij cultuurparticipatie niet zozeer om direct economisch verlies. In plaats daarvan is er het verlies van ervaringen, van het aanstekelijke plezier en van het proces van het samen leren spelen, luisteren en kijken. Juist die leerprocessen zouden we meer aandacht moeten schenken. We moeten samen leren hoe kunst opnieuw onderdeel van ons dagelijks leven kan worden in die anderhalve meter die onze maatschappij voorlopig te wachten staat.

Natuurlijk is het belangrijk dat de culturele basisinfrastructuur overeind gehouden wordt, maar het is problematisch dat de huidige nadruk op economische schade resulteert in een debat dat zich richt op eindproducten. Juist nu velen onder wie minister Van Engelshoven het belang van kunst onderstrepen om ‘troost, afleiding en hoop te bieden’, is het schrijnend dat er zo weinig aandacht is voor de alledaagse manieren waarop kunst verweven is met ons leven.

We lezen over welke concerten en tentoonstellingen er afgelast moeten worden, en zien overzichten van wat er via andere wegen doorgang kan vinden. Maar de ervaringen van het publiek dat normaal in de zaal zou zitten en de praktijk van amateurs blijven onbesproken. Ze zijn lastig in economische termen uit te drukken, maar daardoor niet minder van belang. Integendeel. Er valt veel te leren van cultuurparticipatie.

Vond je dit artikel interessant?

Gemiddelde 5 / 5. totaal 5

Reageer

Uw bericht kan gewijzigd worden door de beheerder
Reacties (0)
Gepubliceerd:
Deel dit artikel