Over het verleden, heden en de toekomst van Curriculum.nu

Niet iedereen heeft nog op het netvlies dat het traject dat sinds juli 2017 bekend staat onder de naam Curriculum.nu al in november 2014 begonnen is als Onderwijs2032. De status anno januari 2020: er zijn Ronde Tafelgesprekken geweest voor de vaste commissie Onderwijs in de Tweede Kamer. Op 5 maart spreekt de Kamer zich uit over het voorstel van minister Slob dat hij in december 2019 verstuurde. Dan pas wordt duidelijk hoe dit proces precies verder vervolgd zal worden.
Gepubliceerd:
Deel dit artikel

Het was staatssecretaris Sander Dekker die het hele traject startte met een nationale brainstorm. In het voorjaar van 2015 ging die brainstorm over in een brede maatschappelijke dialoog. Het doel was om te komen tot een visie op wat er in het onderwijscurriculum zou moeten. Dit resulteerde januari 2016 in een visiestuk over het onderwijs van de toekomst van het Platform Onderwijs2032 onder leiding van Paul Schnabel. Deze visie was gebaseerd op alles wat er uit de landelijke dialoog was gekomen, onderzoek en input van experts en ontwikkelingen in het buitenland. In de Tweede Kamer leidde dit stuk tot discussie over het draagvlak in het onderwijs voor de vernieuwingen en de betrokkenheid van docenten bij het traject.

Een advies voor de verschillende leergebieden

De verdiepingsfase met het onderwijsveld die uit de discussie in de Tweede Kamer voortkwam, heeft geleid tot het inrichten van het traject voor Curriculum.nu. Verschillende partijen hebben besloten de handen ineen te slaan om aan dit traject uitvoering te geven. De Onderwijscoöperatie, PO-raad, VO-raad, de AVS (Algemene Vereniging Schoolleiders), het LAKS (Landelijk Aktie Komitee Scholieren) en Ouders & Onderwijs hebben zich aaneengesloten om een regiegroep te vormen.

In april 2017 heeft de Tweede Kamer besloten het voorstel van de regiegroep over te nemen. Het advies was om aan de slag te gaan met een door een docentengroep opgesteld advies voor de verschillende leergebieden. De opdracht was wel om zich alleen te beperken tot het ‘wat’: de inhoud van het onderwijs. Ze mochten zich niet richten op het ‘hoe’, de manier waarop er les gegeven moet worden. De docentengroepen per leergebied werden aangevuld met directieleden uit het onderwijs om zo samen de ontwikkelteams te vormen. Het leergebied Kunst & Cultuur kreeg haar eigen ontwikkelteam bestaande uit twaalf docenten en twee schoolleiders.

Betrokkenheid met het brede werkveld

Het ontwikkeltraject dat in februari 2018 gepresenteerd werd, gaf aan dat er met een aantal ‘tussenproducten’ van het uiteindelijke advies gewerkt zou worden om een grote betrokkenheid met het brede werkveld mogelijk te maken. Niet alleen docenten in het primair en voortgezet onderwijs werden uitgenodigd om te reageren, ook iedereen die zich betrokken voelt bij het onderwijs zoals culturele instellingen en wij als LKCA.

Wij hebben deze mogelijkheid aangegrepen om bij iedere inspraakronde drie regiobijeenkomsten en een aparte bijeenkomst voor erfgoed  te organiseren om input op te halen. In het begin was de belangstelling nog hoog, maar die nam in de loop van tijd steeds verder af. Om de bekendheid te vergroten en geïnteresseerden mee te nemen hebben we in de tussentijd presentaties gegeven en artikelen geschreven.

Zelfs aan het einde van het traject bleek dat er nog steeds grote groepen mensen uit het onderwijs en culturele instellingen waren die weinig tot niets van het traject wisten. Desondanks constateren we wel dat degenen die betrokken wilden zijn, alle gelegenheid hebben gehad om te reageren via bijeenkomsten en internet. Alle inspanningen die we hebben geleverd om het traject en de tussenproducten van Curriculum.nu onder de aandacht van onderwijs en andere betrokkenen te brengen, hebben ervoor gezorgd dat er wel degelijk constructief meegedacht is over het resultaat.

Toegankelijke indeling voor cultuuronderwijs

Minister Slob nam op 10 oktober 2019 de definitieve adviezen van de verschillende ontwikkelteams in ontvangst. Het definitieve advies voor het leergebied Kunst & Cultuur legt een stevige basis voor het toekomstig cultuuronderwijs in het primair en voortgezet onderwijs. Het document is geschreven in begrijpelijke taal voor onderwijs en culturele instellingen. De begrippen ‘maken’ en ‘meemaken’ vormen in combinatie met ‘betekenis geven’ een toegankelijke indeling van de invalshoeken voor cultuuronderwijs.

De geformuleerde ‘Grote Opdrachten’ bieden goed houvast voor culturele instellingen en scholen om met elkaar in gesprek te gaan over samenwerking en verrijking van het cultuuronderwijs. Dat kwam naar voren uit bijeenkomsten waar we hier over gesproken hebben met docenten en educatief medewerkers van culturele instellingen. Begin december 2019 heeft minister Slob in zijn brief aangegeven hoe hij de adviezen en het bijbehorende vervolgtraject ziet.

De acht Grote Opdrachten zijn:
1) Artistiek-creatief vermogen (maak- en denkstrategieën);
2) Artistieke expressie;
3) Artistieke technieken en vaardigheden;
4) Artistieke innovatie;
5) Kunst- en cultuurhistorische contexten;
6) Functies van kunst;
7) Beleven van kunst;
8) Tonen en delen van eigen werk.

Vertaling naar kerndoelen en eindtermen

De minister is positief over het resultaat en het vele werk dat is verzet, maar geeft tegelijkertijd aan dat er nog veel werk ligt. De adviezen moeten nog vertaald worden naar kerndoelen voor het basisonderwijs en de onderbouw van het voortgezet onderwijs. Ook zijn nog niet alle adviezen af. Leergebied Mens en Maatschappij heeft bijvoorbeeld meer tijd nodig om tot een eindtekst te komen. En voor de bovenbouw moeten nog bouwstenen ontwikkeld worden voordat er eindtermen voor de examens geformuleerd kunnen worden.

Het is bemoedigend dat de minister door wil gaan op de ingeslagen weg. Er volgt geen uitwerking naar kerndoelen in een besloten proces van een paar deskundigen, maar een open proces met een team vanuit het onderwijs. Dit team wordt ondersteund door deskundigen en met de mogelijkheid voor alle betrokkenen om input te leveren.

Dit is vergelijkbaar met hoe het proces tot nu toe verlopen is. Leden van de ontwikkelteams worden uitgenodigd ook in deze nieuwe teams deel te nemen. Ook wordt ingezet op een iteratief proces, waarbij tussenuitwerkingen telkens vertaald worden naar de onderwijspraktijk en uitgeprobeerd worden in de praktijk. Dit zorgt dan weer voor tussentijdse aanpassingen waardoor de kerndoelen zo scherp en zo toepasbaar mogelijk worden. De minister wil toewerken naar kerndoelen die een echt houvast bieden aan de docent, zodat zij minder afhankelijk hoeven te zijn van methodes in hun dagelijkse praktijk.

Krappe maar haalbare planning

Er zitten toch ook nog wel wat kanttekeningen aan het voorstel. Het is de vraag hoe je aangescherpte kerndoelen in korte tijd in school kunt toetsen. Uit het afgelopen traject bleek dat de betrokken scholen het vaak heel moeilijk vonden om met het materiaal van de Ontwikkelteams aan de slag te gaan en om daarmee tot heldere conclusies en oordelen te komen over het materiaal. Kerndoelen aan het einde van het basisonderwijs richten zich immers op wat er in de hele schoolperiode aan bod is gekomen en niet op een enkel moment.

Ook de planning is krap: de start van het traject moet in september 2020 plaatsvinden, dan moet er een nieuwe werkstructuur ingericht zijn. Als er nieuwe leden voor de Ontwikkelteams geworven moeten worden, is dat een uitdaging. Zeker als je de scholen, waar die docenten vandaan komen, in staat wil stellen om vervanging te zoeken. Maar het is nog haalbaar.

Dit proces van het opstellen van kerndoelen moet uiterlijk in 2022 afgerond zijn. Dat betekent dat er in juni 2022 een advies moet liggen. In die tijd, twee schooljaren, moeten aanscherpingen ontwikkeld, uitgeprobeerd en bijgesteld worden in scholen. Om dit uit te kunnen proberen, moet materiaal ontworpen worden waarbij ook tijd nodig is voor toetsing of het materiaal voldoet in relatie tot de kerndoelen.

Dat moet dan ook nog eens passen binnen het ritme van de scholen. Die hebben het al druk genoeg, waardoor er dus een beperkt aantal momenten overblijft. Wanneer het proces probleemloos verloopt, zal dit waarschijnlijk wel haalbaar zijn. De kans is echter groot dat er vertraging ontstaat bij één of meer leergebieden.

Een betere balans in het onderwijs

Een andere kanttekening is dat in de loop van het proces de overladenheid van het curriculum getoetst moet worden. Uitgangspunt hierbij is dat 70% van het curriculum voorgeschreven wordt. Onduidelijk is hoe je overladenheid in beeld krijgt en wat die 70% betekent als je het vertaalt naar kerndoelen. En als er sprake is van overladenheid, wie moet er dan een stapje terug doen? Alle leergebieden een beetje? Sommigen niet (Taal en Rekenen) en anderen wel (Kunst & Cultuur en Sport & Bewegen)? Hier schuilt een groot gevaar dat ons leergebied, ondanks alle goede bedoelingen voor een betere balans in het onderwijs, toch weer terzijde geschoven wordt en in de 30% vrije keuze aan de school overgelaten wordt.

Het is jammer dat het ministerie niet in overweging neemt om ons schoolsysteem nader te bekijken. De manier waarop schooltijd gedefinieerd wordt, de indeling in het secundair onderwijs en de wijze van bekostiging en sturing. Voor schoolleiders en docenten die behoefte hebben om met onderwijsvernieuwing aan de slag te gaan, wordt het met de wijze waarop het nu geregeld is eerder moeilijker dan makkelijker gemaakt. Parallel aan het toetsen van nieuwe kerndoelen zouden ook nieuwe onderwijsvormen getoetst kunnen worden. Niet noodzakelijk binnen dezelfde school, maar dan zouden we wel werken aan toekomstbestendiger onderwijsdoelen en -vormen.

Basis om met elkaar in gesprek te gaan

Tenslotte is het positief dat de minister niet alleen naar de kerndoelen en de uitwerking daarvan wil kijken. Hij kijkt ook naar wat dat betekent voor de daaraan verbonden aspecten van het onderwijs zoals de lerarenopleidingen, de inspectie en de gradering. Dat biedt een opening voor de discussie die al langer gevoerd wordt rond de positie van kunst en cultuur bij de pabo’s en de ongegradeerde bevoegdheid bij de kunstvakdocenten. En wie weet leidt deze discussie alsnog tot een discussie over onderwijsvernieuwing en de ruimte die daarvoor nodig is voor scholen en docenten.

Bovengenoemd traject betekent niet dat er in de tussentijds niets gedaan kan worden met de resultaten van de ontwikkelteams. Dat benadrukt de minister ook. Voor scholen en culturele instellingen biedt het advies voor Kunst & Cultuur een mooie basis om met elkaar in gesprek te gaan over de toegevoegde waarde van de culturele instelling voor de school en om daarin meer samen op te trekken.

Culturele instellingen kunnen aan de hand van de acht Grote Opdrachten zelf kijken op welke manier zij al aangehaakt zijn met hun producties en activiteiten. Vanuit het LKCA zullen wij die invalshoek ook stimuleren. Verder zorgen wij ervoor dat we zo nauw mogelijk aangehaakt blijven bij het hele verdere vervolg van Curriculum.nu.

Lees ook

Vond je dit artikel interessant?

Gemiddelde 5 / 5. totaal 1

Reageer

Uw bericht kan gewijzigd worden door de beheerder
Reacties (0)