Gemeenteambtenaar, verbreed je blik op cultuur. Zoek contact met andere domeinen

Dit biedt na de gemeenteraadsverkiezingen de meeste kans op goed doordacht beleid voor cultuurparticipatie
Bijgewerkt op:
Gepubliceerd:
Deel dit artikel
Veel cultuurbeleidsnota’s van gemeenten hebben de mond vol van het lokale ‘bloeiende culturele leven’, maar kijken vaak met een te smalle blik naar kunst en cultuurparticipatie, merken Sandra Trienekens en Annemarth Idenburg. Verbreed je blik! Kunst en cultuurparticipatie zijn immers verbonden aan alle aspecten van het leven. Ga na de gemeenteraadsverkiezingen en de daaropvolgende coalitieonderhandelingen het gesprek aan met collega’s.
Stockbeeld

Van alle overheidsniveaus investeren gemeenten het meest in kunst en cultuurparticipatie en zij hebben veel ruimte voor een eigen invulling van het cultuurbeleid. Je zou dus verwachten dat lokaal cultuurbeleid een belangrijk thema is bij de gemeenteraadsverkiezingen, stelde Edwin van Meerkerk vier jaar geleden al op dit platform.

De realiteit is echter anders. Cultuurparticipatie krijgt weinig aandacht in gemeentelijke verkiezingsprogramma’s en coalitieonderhandelingen. De beleidsautonomie betekent ook dat gemeenten hierop gemakkelijk kunnen bezuinigen, zoals eerder gebeurde in de periode 2023-2025. Toen fuseerden of sloten veel gemeenten lokale voorzieningen voor kunst en cultuurparticipatie.

Na de komende gemeenteraadsverkiezingen komt opnieuw de vraag op tafel ‘waar hebben gemeenten nog geld voor (over)?’ De vrees is gegrond dat we opnieuw voor een periode staan waarin gemeenten zich genoodzaakt zien te bezuinigen. Dit vraagt om een heldere visie op de kosten voor culturele voorzieningen én hun waarde voor de lokale samenleving.

‘Na de komende verkiezingen komt opnieuw de vraag op tafel: waar hebben gemeenten nog geld voor (over)?’

De vraag welke rollen kunst en cultuurparticipatie spelen in een vitale lokale gemeenschap stond centraal in de recente studie van Urban Paradoxes en Trendbureau Overijssel: Ik zie, ik zie, wat jij niet ziet: handreiking voor een gesprek over de toekomstige rol van kunst en cultuur in de samenleving. Daarin constateren we dat gemeenten vaak met een te smalle blik naar kunst en cultuurparticipatie kijken.

Nut en schaarste

Die smalle blik komt deels door een (te) sterke focus op de impact van culturele activiteiten. Hierdoor bieden sommige gemeenten alleen financiële ondersteuning aan cultuurparticipatie met doelstellingen op andere beleidsterreinen. Alleen geld naar culturele expressie als dat gericht is op het tegengaan van eenzaamheid, op de preventie van zorgkosten. Enkel investeren in kunst en cultuurparticipatie die bijdragen aan het lokale vestigingsklimaat: een (pop)podium als oplossing voor een arbeidskrachtentekort. Als je het alleen zo bekijkt zijn kunstenaars primair cultureel ondernemers, die een economische of maatschappelijke dienst leveren. Het publiek is consument of cliënt. We noemen dit het nut-en-schaarste-perspectief.

Het klopt inderdaad dat kunst en cultuurparticipatie positief kunnen bijdragen aan maatschappelijke doelen. Het klopt ook dat er culturele ondernemers zijn die prima zonder subsidie hun werk kunnen doen. De grote valkuil van dit perspectief is echter dat overheden alleen nog willen investeren in kunst en cultuurparticipatie als de impact meetbaar is en concurrerend met andere beleidsmaatregelen, maar tegelijkertijd geen oog hebben voor de artistieke randvoorwaarden om de gewenste impact te kunnen realiseren.

Autonome kunst

Naast het nut-en schaarste-perspectief is ook het autonome-kunst-perspectief nadrukkelijk aanwezig in de manier waarop gemeenten kijken naar kunst en cultuur. Dat komt tot uitdrukking in een beperkte blik gericht op de cultuuruitingen (kunstobjecten) van professioneel geschoolde kunstenaars in gescheiden kunstdisciplines. In dit romantische beeld van kunst is het publiek hoofdzakelijk de ontvanger van die professionele kunstwerken.

De combinatie van een blik op nut en schaarste én autonome kunst leidt ertoe dat beleidsmakers een blinde vlek hebben voor vrije, creatieve maakprocessen van niet-formeel-in-kunst-geschoolde cultuurmakers. Ze zien over het hoofd dat ‘oefening kunst baart‘ en dat kunst en cultuurparticipatie mentale én fysieke ruimte nodig hebben om tot bloei te komen.

Identiteit en gemeenzin

Het derde perspectief dat we onderscheiden brengt deze amateurkunstenaars wel in beeld: het identiteit-en-gemeenzin-perspectief. Hierin gaat het niet om impact of kunstobjecten, maar om het proces waarin kunstobjecten en culturele activiteiten tot stand komen en worden beleefd. Alle mensen kunnen naar eigen vermogen bijdragen aan dit proces van kunst en cultuur maken. Kunstenaars zijn dan de verbeelders van wat er in de gemeenschap leeft. Pas als het publiek de kunst herkent, erkent en oppakt, krijgt het ‘verbeelde’ betekenis in die gemeenschap.

De aandacht voor dit perspectief neemt toe en is gerelateerd aan de ‘dubbele revolutie’: de herontdekking van de gemeenschap én de herontdekking van de rol van kunst en cultuur daarin. De kracht van dit perspectief is dat het toont dat kunst en cultuurparticipatie de gemeenschap vormgeven, maar dat de gemeenschap deze cultuurvormen ook telkens weer verandert. Dit betekent dat culturele expressie en gemeenschap bij mens-zijn horen. En kunst en cultuurparticipatie verbonden zijn met alle aspecten van het leven. De valkuil hierbij is dat het door die verbondenheid niet altijd helder is waarom kunst en cultuurparticipatie specifieke beleidsaandacht verdienen.

Stel vragen vanuit alle drie de perspectieven

Veel gemeentelijke cultuurbeleidsnota’s hebben de mond vol van het ‘bloeiende culturele leven’. Maar dit leven ontstaat pas als gemeenten hebben geleerd vanuit alle drie de perspectieven vragen te stellen, voorzieningen te creëren en cultuurpraktijken te ondersteunen.

Samenhang tussen de perspectieven – en dus ruimte voor alle bijbehorende rollen van kunstenaars en publiek – is nodig.

Zonder brede basis voor cultuurparticipatie en talentontwikkeling geen sterke top van kunstenaars die het regionale BIS-theatergezelschap bemannen, die als dirigent het wijkkoor begeleiden of als beeldend kunstenaar een democratisch, artistiek proces met ervaringsdeskundigen aangaan rond het thema mentale gezondheid.

Zonder toegankelijke, ongeprogrammeerde, fysieke ruimten waarin mensen collectief kunst en cultuur kunnen maken en genieten, staat gemeenschapsvorming onder druk, zijn er geen rafelranden waar artistieke vernieuwing door kunstenaars of jongerencultuur door de lokale jeugd tot stand komen, en brengen amateurkunstverenigingen de zaalhuur voor hun activiteiten niet op.

Dit ‘bloeiende culturele leven’ vraagt om gemeentelijk cultuurbeleid dat veel breder is dan cultuursectorbeleid met als belangrijkste instrument cultuursubsidies voor culturele instellingen. Als kunst en cultuurparticipatie verbonden zijn met alle aspecten van het leven, betekent zoeken naar samenhang ook samenwerking met collega-ambtenaren uit andere domeinen. Bijvoorbeeld in vergunningenbeleid, bestemmingsplannen, omgevingsvisies, aanbestedingsbeleid of beleid voor maatschappelijk vastgoed.

‘Dit bloeiende culturele leven vraagt om gemeentelijk cultuurbeleid dat veel breder is dan cultuursectorbeleid’

Dit zijn vragen die kunnen spelen als je als ambtenaar met een écht brede blik naar cultuurbeoefening kijkt:

  • Hoe garandeer je gezamenlijk dat maatschappelijk vastgoed ook altijd toegankelijk is voor (informele) cultuurbeoefening?
  • Hoe garandeer je dat er in bestemmings- en bouwplannen altijd fysieke ruimte voor niet-commerciële culture activiteiten wordt meegerekend?
  • Hoe waarborg je gezamenlijk de balans tussen sociale en artistieke professionaliteit in aanbestedingsbeleid voor het sociaal domein, zodat culturele wijkprojecten, dementiekoren of dat community-art-initiatief over mentale gezondheid niet tussen wal en schip blijven vallen?

Alleen met een brede blik vanuit alle drie de perspectieven kom je tot sociaal en ruimtelijke ordeningsbeleid dat zich niet alleen richt op het ‘benutten’ van kunst en cultuur, maar op hun beurt ook ruimte bieden aan kunst en cultuurparticipatie en dus aan dat ‘bloeiende culturele leven’.

Ons boek doet hiervoor meerdere handreikingen, waaronder een gespreksagenda.


In de publicatie ‘Ik zie, ik zie wat jij niet ziet’ onderzoeken Sandra Trienekens en Annemarth Idenburg de drie perspectieven van waaruit men naar kunst en cultuur kan kijken (Trienekens, S. & Idenburg, I. (2025). Ik zie, ik zie wat jij niet ziet. Trendbureau Overijssel).

Verder lezen

Vond je dit artikel interessant?

Gemiddelde 0 / 5. totaal 0

Reageer (je reactie verschijnt na goedkeuring, vanwege spam)

Reacties (0)
Bijgewerkt op:
Gepubliceerd:
Deel dit artikel