Kerntaken overheid

Wat zijn de taken en verantwoordelijkheden van het Rijk, provincies en gemeenten op het gebied van cultuureducatie en actieve cultuurparticipatie? Hier vindt u de meest gestelde vragen.

Wat is de taakverdeling tussen de drie overheidslagen?
Wat zijn de wettelijke taken van het Rijk?
Welke diensten en instellingen ondersteunen het landelijk cultuurbeleid?
Wat is de rol van de landelijke ondersteuning voor cultuureducatie en actieve cultuurparticipatie?
Wat is de verhouding tussen cultuurbeleid en onderwijsbeleid?
Welke instrumenten zet het Rijk in om de kwaliteit van cultuuronderwijs te stimuleren?
Welke instrumenten zet het Rijk in voor actieve cultuurparticipatie?
Welke invloed heeft de Tweede Kamer op het beleid voor cultuureducatie en actieve cultuurparticipatie?
In hoeverre en hoe schept de rijksoverheid de kaders voor regionaal en lokaal beleid?

Wat is de taakverdeling tussen de drie overheidslagen?

Provincies en gemeenten hebben geen wettelijke verantwoordelijkheden voor cultuureducatie en cultuurparticipatie. De taakverdeling is gebaseerd op (niet-wettelijke) afspraken tussen het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (OCW), het Interprovinciaal Overleg (IPO) en de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG).

Het Rijk zorgt bij cultuureducatie voor:

  • de bekostiging en het wettelijk kader van het onderwijs,
  • de educatieve opdracht aan culturele instellingen met rijksfinanciering,
  • de landelijke ondersteuning (innovatie, kennis en netwerken) en cultuurfondsen.

Het Rijk bekostigt voor cultuurparticipatie algemene (kennis)ondersteuning, landelijke experimenten en stimuleringsprogramma’s.

De provincies spelen een rol in de tweedelijns ondersteuning. Ze bevorderen kwaliteit door deskundigheidsbevordering en zorgen voor regionale spreiding, distributie, bemiddeling en innovatieve projecten.

De gemeente voert de regie in de feitelijke kennismaking met cultuur, in nauw samenspel met scholen en cultuuraanbieders. Gemeenten faciliteren:

  • een breed en samenhangend cultureel aanbod voor scholen,
  • bemiddeling van het aanbod,
  • aansluiting binnenschools- en buitenschools,
  • afspraken met scholen (bijvoorbeeld in het kader van de 'Lokale Educatieve Agenda').

Daarnaast kunnen gemeenten activiteiten op het gebied van cultuureducatie in de vrije tijd bekostigen.

Naast deze afspraken maken de overheden Rijk, provincies en gemeenten soms afspraken op een specifiek onderwerp, zoals het bestuurlijk kader Cultuur en Onderwijs.

Bronnen:
Algemeen kader interbestuurlijke verhoudingen cultuur (OCW, IPO, VNG, 2012)
Gids cultuureducatie en amateurkunst (Cultuurnetwerk Nederland, Kunstfactor, Kunstconnectie, VNG, 2012) 

Wat zijn de wettelijke taken van het Rijk?

Sinds 11 maart 1993 bestaat de Wet op het specifiek cultuurbeleid. Hierin staat dat de minister of staatssecretaris voor Cultuur elke vier jaar het cultuurbeleid vastlegt in een nota, als basis voor de subsidieverstrekking in die periode.

Het ministerie van OCW verdeelt de subsidie voor culturele instellingen in de zogenaamde culturele basisinfrastructuur (BIS). De BIS is bedoeld voor culturele instellingen die een specifieke functie in het landelijke bestel vervullen of een kernfunctie in de regionale en stedelijke infrastructuur. Hieronder vallen ook de cultuurfondsen, zoals het Fonds voor Cultuurparticipatie. De financiering van de BIS valt onder rechtstreekse ministeriële verantwoordelijkheid. In de regeling Wet op het specifiek cultuurbeleid is opgenomen dat één instelling tot de BIS behoort die zich met zijn kernactiviteit richt op amateurkunst en cultuureducatie.

Ook is bepaald dat de BIS ruimte moet laten voor 9 instellingen voor jeugdpodiumkunsten. Voor de andere kunstdisciplines bestaat geen variant gericht op deze specifieke doelgroep. Wel zijn doelstellingen voor cultuureducatie en -participatie een van de criteria voor subsidie.

Naast deze wettelijke taken stelt het Rijk extra budgetten beschikbaar voor culturele activiteiten binnen het onderwijs. Deze worden via zowel de cultuur- als onderwijsbegroting bekostigd. Zo betreft de Prestatiebox onderwijsmiddelen en wordt het programma Cultuureducatie met Kwaliteit bij het Fonds voor Cultuurparticipatie uit cultuurmiddelen betaald.

Bronnen:
Wet op het specifiek cultuurbeleid
Regeling op het specifiek cultuurbeleid
Het Cultuurnetwerk (Cultuurnetwerk Nederland, 2012)

Welke diensten en instellingen ondersteunen het landelijk cultuurbeleid?

De Raad voor Cultuur is het wettelijk adviesorgaan voor cultuur, die de regering en de Kamer gevraagd en ongevraagd adviseert over algemeen cultuurbeleid, subsidiebesluiten en andere beleidskwesties.

De Onderwijsraad is een onafhankelijk adviescollege en adviseert over beleid en wetgeving op het gebied van onderwijs. Ook gemeenten kunnen de Onderwijsraad om advies vragen.

De Inspectie van het Onderwijs houdt toezicht op financiën en kwaliteit van scholen en instellingen in alle onderwijsvormen in Nederland, behalve het hoger onderwijs. Zij toetsen op het naleven van onderwijswetten.

Wat is de rol van de landelijke ondersteuning voor cultuureducatie en actieve cultuurparticipatie?

In de regeling Wet op het specifiek cultuurbeleid is opgenomen dat één instelling tot de BIS behoort die zich met zijn kernactiviteit richt op de ondersteunde activiteiten op het terrein van amateurkunst en cultuureducatie (artikel 3.42). Het betreft de volgende activiteiten:

  • Professionalisering van de educatiefunctie in de culturele sector
  • Landelijke informatie- en netwerkfunctie voor zowel amateurkunst als cultuureducatie
  • Onderzoek en monitoring voor zowel amateurkunst als cultuureducatie.

Op dit moment vervult het LKCA die rol met zijn eigen missie, visie en activiteitenprogramma.

Het ministerie van OCW ondersteunt het Fonds voor Cultuurparticipatie, dat subsidies verstrekt voor cultuurparticipatie en cultuureducatie. Het Fonds verzorgt onder meer de matchingsregeling Cultuureducatie met Kwaliteit.

Wat is de verhouding tussen cultuurbeleid en onderwijsbeleid?

Onderwijs en Cultuur hebben niet altijd in één departement gezeten. Tussen 1918 en 1965 behoorden Kunsten en Onderwijs, samen met Wetenschappen, tot hetzelfde Ministerie. In 1965 werden de 'Kunsten' onderdeel van het Ministerie van Cultuur, Recreatie en Maatschappelijk Werk. De beleidsmatige hereniging van Cultuur en Onderwijs in één ministerie vond plaats in 1994.

Zo'n twintig jaar geleden werd cultuureducatie onderdeel van het landelijke cultuurbeleid met de beleidsnota Cultuur en School (1996). In 1997 volgde het gelijknamige programma dat tot en met 2012 cultuur en onderwijs met elkaar verbond en waarmee cultuureducatie een vaste plek in het rijksbeleid kreeg. Het huidige programma Cultuureducatie met Kwaliteit is het vervolg op Cultuur en School.

Cultuureducatie is onderdeel van het cultuurbeleid, maar de kerndoelen 54, 55 en 56 van het leergebied kunstzinnige oriëntatie in het primair onderwijs en de kunstvakken en CKV in het voortgezet onderwijs vallen onder onderwijsbeleid.

De specifieke geldstromen voor cultuureducatie, zoals de regeling Cultuureducatie met Kwaliteit, worden bekostigd vanuit het cultuurbudget. Ook de €11,50 per leerling per jaar voor cultuureducatie, die scholen rechtstreeks krijgen via de Prestatiebox. In 2016 doet de onderwijsinspectie een peiling van de stand van zaken van het leergebied Kunstzinnige Oriëntatie in het primair onderwijs.

Welke instrumenten zet het Rijk in om de kwaliteit van cultuuronderwijs te stimuleren?

De inhoud van het onderwijs in Nederland is niet vastgelegd in een nationaal curriculum, zoals bijvoorbeeld in Engeland. Het onderwijs is daarom erg divers; het Rijk kan slechts via de onderwijsinspectie direct invloed uitoefenen op de kwaliteit op scholen. Op deelaspecten, zoals bij cultuureducatie dat valt onder het leergebied Kunstzinnige Oriëntatie, is het niet mogelijk op inhoud te sturen zolang de school aantoont de kerndoelen te volgen. De invloed die het Rijk kan uitoefenen zit in de methode 'verleiden' in plaats van 'opleggen'. Dat geldt niet alleen voor scholen, maar ook voor culturele instellingen. Hoewel deze laatste groep, waar het de BIS betreft, wel een verplichting voor cultuureducatie kent. Ook daar geldt dat het Rijk niet over de inhoud van de uitvoering gaat, maar wel toeziet op naleving van de verplichting.

Naast de educatie- en participatie doelstellingen van instellingen in de BIS, stelt het Rijk extra budgetten beschikbaar voor culturele activiteiten binnen het onderwijs,  zoals het programma Cultuureducatie met Kwaliteit. Speciaal voor het stimuleren van muziekonderwijs is in 2015 de subsidieregeling Muziekimpuls gestart.

Daarnaast is er de Cultuurkaart voor leerlingen in het VO (€ 5 per leerling per jaar) en richt het FCP zich met een subsidieregeling voor projecten in het vmbo. Scholen vragen de kaart zelf aan.

Ook heeft het ministerie een geldstroom Impuls combinatiefunctionaris, die voor cultuur kan worden ingezet. De impuls is een bedrag per gemeente en wordt in het gemeentefonds gestort.

In 2013 werd een Bestuurlijk Kader Cultuur en Onderwijs opgesteld waarbinnen afspraken op bestuurlijk niveau voor een periode van 10 jaar (tot en met 2023) tussen het Rijk, de 35 grote gemeente, de provincies en de PO-raad werden gemaakt om het programma Cultuureducatie met Kwaliteit van 'een stip op de horizon' te voorzien. 

Welke instrumenten zet het Rijk in voor actieve cultuurparticipatie?

Voor actieve cultuurparticipatie zijn meerdere subsidieregelingen ondergebracht bij het Fonds voor Cultuurparticipatie. Daarnaast zijn doelstellingen voor participatie een criterium voor subsidie aan instellingen in de BIS.

Het bestuurlijk kader Cultuur en Onderwijs richt zich nu alleen op binnenschoolse cultuureducatie. Afspraken over actieve cultuurparticipatie zijn daar vooralsnog geen onderdeel van. De minister heeft uitgesproken het bestuurlijk kader op dat onderdeel aan te willen vullen in 2016, naar aanleiding van een motie uit de Tweede Kamer.

Welke invloed heeft de Tweede Kamer op het beleid voor cultuureducatie en actieve cultuurparticipatie?

De Tweede Kamer maakt samen met de regering nieuwe wetten en heeft een controlerende taak richting de regering (minister-president, ministers en staatssecretarissen). Ook speelt de Kamer een belangrijke rol bij de vorming van beleid. Via moties kunnen zij een oordeel geven over het gevoerde beleid, de regering vragen iets (niet) te doen of een uitspraak doen over ontwikkelingen of specifieke zaken.

Er is een vaste commissie voor cultuur, onderwijs en wetenschap, met woordvoerders per onderwerp van de verschillende politieke partijen.

De woordvoerders cultuur bespreken het cultuurbeleid. Daaronder vallen de professionele kunsten, bibliotheekbeleid, cultureel erfgoed, én cultuureducatie en –participatie. Cultuureducatie met Kwaliteit wordt geagendeerd in de commissie Cultuur. In 2015 dienden commissieleden Monasch (PvdA) en Van Veen (VVD) gezamenlijk een motie in, waarin de regering wordt verzocht een overkoepelend referentiekader voor cultuureducatie te ontwikkelen als gemeenschappelijk houvast voor samenhangend, weloverwogen, beleid dat niet allen het onderwijs maar ook het lokale voorzieningenniveau beslaat.

Wetswijzigingen met betrekking tot onderwijs, zoals in juni 2015 het nieuwe examenprogramma CKV in het VO, worden door de woordvoerders onderwijs geagendeerd, besproken en besloten.

In hoeverre en hoe schept de rijksoverheid de kaders voor regionaal en lokaal beleid?

De Wet op het specifiek cultuurbeleid schrijft geen verplichtingen voor aan provincies en gemeenten. Cultuurbeleid en, voor een bepaald deel, ook onderwijsbeleid (buiten de wettelijke verplichting van gemeenten t.a.v. huisvesting van scholen) zijn een lokale aangelegenheid. Dat geldt ook voor cultuureducatie en -participatie. De eigen keuzes in lokaal en regionaal cultuurbeleid heeft als gevolg dat de infrastructuur per gemeente en provincie verschilt.

Door landelijke matchingsregelingen, zoals Cultuureducatie met Kwaliteit zijn decentrale overheden wel eerder geneigd om hun beleid op het rijksbeleid af te stemmen; een financiële 'beloning' maakt het mogelijk om beleidsplannen sneller of überhaupt te realiseren.

In het programma Cultuureducatie met Kwaliteit en het bestuurlijk kader Cultuur en Onderwijs zijn overkoepelende afspraken gemaakt met de decentrale overheden (alle 35 grote gemeenten en 11 provincies). Maar deze afspraken zijn geformuleerd als intenties en zijn niet financieel bindend, noch gesteld aan een minimum of maximum. Ook daar geldt dat de invulling per gemeente en provincie verschilt.