Kunstzinnig en creatief in de vrije tijd = Monitor amateurkunst 2015

materiaal
digitale publicatie
auteur(s)
T. IJdens; J. Poll (medewerker); H. Mariƫn (medewerker)
plaats van uitgave
Utrecht
uitgever(s)
LKCA
jaar van uitgave
2015
annotatie
Met literatuuropgave
pagina's
58 p. publieksversie 23 p.
illustratie
tabellen

De monitor amateurkunst 2015 ziet dat het aantal beoefenaars van kunst in de vrije tijd gelijk is gebleven aan die van 2013. De uitkomsten bevestigen dat digitale informatiekanalen, leermiddelen en podia een belangrijke plek hebben gekregen in de creatieve en kunstzinnige vrijetijdsbesteding.

Tweejaarlijkse monitor

Om de twee jaar wordt een enquête gehouden onder de Nederlandse bevolking van zes jaar en ouder over het beoefenen van kunstzinnige en creatieve activiteiten in de vrije tijd. Vragen worden gesteld over het wel of niet beoefenen van een kunstzinnige en creatieve activiteit, het soort activiteit, de motivatie, de manier waarop en over de voorzieningen die gebruikt worden.

Onder kunstzinnige en creatieve activiteiten wordt verstaan beeldende activiteiten (in ruime zin), muziek (inclusief zingen in een koor en dergelijk), dans, theater, creatief schrijven en kunstzinnige fotografie, film, video of computerkunst. Fotografie, film, video en computerkunst worden kortheidshalve als ‘media’ aangeduid.

Enkele gegevens

  • 41% van de Nederlandse bevolking van zes jaar en ouder doet iets kunstzinnigs of creatiefs in de vrije tijd: dat zijn ongeveer 6,4 miljoen mensen
  • Alle lagen van de bevolking en alle leeftijden doen mee. Vrouwen, kinderen en jongeren zijn oververtegenwoordigd. Er zijn relatief iets meer hoger opgeleiden die in hun vrije tijd iets kunstzinnigs of creatiefs doen dan mensen met een opleiding op lager of middenniveau.  
  • Activiteiten en percentage beoefenaars, op de bevolking van zes jaar en ouder:
  • 21% beeldend
  • 19% muziek (incl. zang)
  • 8% dans
  • 4% theater
  • 7% creatief schrijven
  • 12% media (fotografie, film, video of computerkunst)
  • Bijna 60 procent van de beoefenaars doet één van deze dingen, een kwart twee en bijna een vijfde drie of meer.
  • Mensen die in hun vrije tijd iets kunstzinnigs of creatiefs doen nemen over het algemeen iets vaker op andere manieren deel aan het culturele en openbare leven, zoals  tentoonstellingen bezoeken, lezen, naar voorstellingen gaan, vrijwilligerswerk doen en sporten.
  • Beoefenaars geven gemiddeld € 75 per maand uit voor lesgelden, lidmaatschappen etc. waarvan maar de helft niet meer dan € 20.
  • 25% van de beoefenaars zijn lid van een vereniging
  • 40% van de beoefenaars maakt gebruik van werk-, oefen- of lesruimte buiten de eigen woning.
  • 31% heeft les, zit op cursus of doet wel eens een workshop: dat zijn ongeveer 2 miljoen beoefenaars
  • Bijna een derde van de beoefenaars gebruikt digitale leermiddelen om beter te worden in wat hij of zij doet of maakt
  • 50% van de beoefenaars die les hebben, een cursus volgen of wel eens meedoen aan een workshop bij een docent of kunstenaar doet dat bij een zelfstandige docent of kunstenaar (ongeveer 1 miljoen beoefenaars), 17% bij een docent of kunstenaar die werkt bij een centrum voor de kunsten, muziekschool of creativiteitscentrum (bijna 350.000 mensen), en in een derde van de gevallen werkt de docent of kunstenaar bij een andere organisatie (ongeveer 660.000 mensen).

Er zijn weinig veranderingen te zien in vergelijking met de monitor van 2013. Het percentage beoefenaars is gelijk gebleven en de soorten activiteiten zijn niet veranderd. Wel zijn minder mensen met dans bezig en zijn er meer mensen die aan ‘media’ doen. Onder de beoefenaars is het aandeel meisjes en vrouwen, vijftigers en jonge zestigers toegenomen. Het aandeel van jongens en mannen en van  jongeren en jongvolwassenen is iets gedaald.

In de periode 2007-2013 is te zien dat het aantal beoefenaars is gedaald. In die periode hebben ook andere, traditionele vormen van vrijetijdsbesteding terrein verloren. Mensen zijn daarentegen meer tijd gaan besteden aan digitale media.

Effecten van beleid

De negatieve effecten van gemeentelijke bezuinigingen op de infrastructuur en voorzieningen voor buitenschoolse kunsteducatie en amateurkunst is (nog) niet te merken. Een derde van de beoefenaars neemt (wel eens) les of volgt een cursus of een workshop. In 2015 zijn een aantal lokale en regionale kunstencentra opgeheven. Dit zal op het totale aantal beoefenaars naar verwachting weinig effect hebben, omdat de meeste beoefenaars geen les hebben en omdat er nieuwe voorzieningen op zelfstandige basis tot stand komen. Problemen kunnen wel ontstaan in bepaalde regio’s wanneer daar niet genoeg zelfstandige ondernemers zijn  om gesubsidieerd aanbod dat wegvalt te vervangen.

Methode

De digitale enquête (de NMAK 2015) is gehouden onder 5.134 personen van zes jaar en ouder. De respons is gewogen op ijkingsgegevens van de Gouden Standaard: normen van de organisatie van marktonderzoekbureau (MOA) en CBS voor de representativiteit van steekproeven. Per leeftijdsgroep is apart gewogen of de vijf ijkingsvariabelen geslacht, leeftijd, opleiding, huishoudgrootte en regio. De respons is op deze kenmerken representatief voor de Nederlandse bevolking van zes jaar en ouder.

Monitor amateurkunst 2015
Lees de publieksversie hier

Trefwoorden

buitenschoolse cultuureducatie - buitenschoolse kunsteducatie - actieve cultuurparticipatie - onderzoek - onderzoek (vorm) - vrijetijdsbesteding - determinanten

lkca