De rol van de leerkracht

In de 90-er jaren van de vorige eeuw ontstond in Engeland aandacht voor creativiteit in het curriculum. Hoe heeft deze aandacht zich ontwikkeld?

In het onderwijskundig denken over creativiteit ontstonden twee verschillende denkrichtingen bij scholen: het ontwikkelen van professionele creativiteit  en van de ervaringsgerichte creativiteit.[1]  Bij de eerste ligt de focus op de verbetering van het onderwijzen. Lesmethoden en werkvormen worden aangepast aan de behoefte van iedere leerling en er is meer aandacht voor interacties in de les. Dit is te vergelijken met het latere adaptief onderwijs. Bij de zogenaamde ervaringsgerichte creativiteit ligt de focus op het onderwijzen van creativiteit.

Later spreekt men van teaching creatively [het creatief lesgeven], en teaching for creativity  [het begeleiden van creatieve processen]. Craft[2] beschrijft dat tussen beide manieren van onderwijzen een hechte relatie is.  De creatieve ontwikkeling van kinderen zal gestimuleerd worden in een omgeving waarin de leerkracht ook zijn eigen creatieve kwaliteiten inzet. De leerling spiegelt zich aan het gedrag van de leerkracht en imiteert zijn creatieve houding. Leerkrachten  kunnen creatief lesgeven èn creatieve processen begeleiden, en doen dat soms zelfs tegelijkertijd.[3]  Zichtbaar is dat leerkrachten spontaan creatieve processen bij kinderen gaan begeleiden en dat dit eerder ontstaat in een context waarin de leerkracht creatief lesgeeft. Meer onderzoek is echter nodig, omdat niet duidelijk is of dit altijd zo is en hoe het proces van de ene naar de andere vorm van onderwijzen verloopt.[4]

Het creatief lesgeven is het op creatieve wijze vormgeven van onderwijs waarbij de leerkracht in zijn creatief handelen een rolmodel is voor kinderen.

Volgens Woods[5] zijn dit  onderwijssituaties waarin de leerkracht nieuwe ervaringen mogelijk maakt voor leerlingen. Het gaat om ervaringen die leiden naar belangrijke veranderingen, zoals het  leren van nieuwe vaardigheden, nieuwe inzichten of nieuwe oplossingen. Daarvoor stimuleert de leerkracht het eigenaarschap van kennis van leerlingen en hun intrinsieke motivatie en sluit hij aan bij de belevingswereld van iedere individuele leerling. Op die manier kunnen leerlingen betekenisvolle kennis verzamelen.

De Bode en Nijman[6] geven als voorbeelden van creatief lesgeven: het vangen van de aandacht door verrassende, nieuwsgierigheid prikkelende, ervaringen te bieden, en het wekken van verbazing en opwinding door het organiseren van ‘Wow-gebeurtenissen. Betekenisvolle kennis kan worden verkregen als wordt aangesloten bij verschillende leerstijlen, als verbanden worden gelegd tussen verschillende vakgebieden, als er ruimte is voor keuzes en voor het doen van onderzoek. Fysieke ervaringen met alle zintuigen zijn daarbij van grote waarde, juist nu de hele wereld op een beeldscherm binnen handbereik is, aldus De Bode en Nijman.

Bij het begeleiden van creatieve porcessen organiseert de leerkracht  onderwijsactiviteiten waarin het mogelijk is voor kinderen om te exploreren en te creëren. Hierbij gaat het om het bevorderen en het vergroten van de creativiteit van de leerlingen. 

Leerkrachten die kinderen begeleiden in creatieve processen hechten veel waarde aan een nieuwsgierige houding en het durven nemen van risico’s. Zij werken samen met kinderen, maar ook met collega’s en experts buiten de school. In co-creatie zoekt de leerkracht voortdurend naar wegen om de verbeelding en ideeën van kinderen in het onderwijs te betrekken.[7] Levendige gesprekken tussen kinderen en leerkrachten – en tussen kinderen onderling – voeden de fantasie en het spel, het denken in mogelijkheden en het stellen van vragen.[8]

In een betekenisvolle leeromgeving krijgen kinderen tijd en ruimte om te experimenteren en is het van belang een balans te zoeken tussen het geven van kaders en vrije keuzes. De leerkracht neemt in dit proces op tijd afstand. Hij observeert om op het juiste moment weer in het proces te stappen om kinderen te ondersteunen bij het denken in mogelijkheden (verbeelden en divergeren)  of juist het maken van keuzes (convergeren).[9] Het stellen van vragen is essentieel in het creatieve proces en wordt de motor van het creatieve proces genoemd.[10]

Kinderen wordt het stellen van goede vragen te weinig geleerd. Het stellen van vragen wordt meestal gezien als de taak van de leerkracht. De vele vragen die door leerkrachten continue gesteld worden aan leerlingen bepalen het gesprek en  plaatsen de leerling  in de rol van beantwoorder. Leerkrachten zijn zo geen gesprekspartner maar gespreksstuurder.[11] Kinderen die hun eigen vragen stellen en luisteren naar elkaars vragen nemen verantwoordelijkheid voor hun leren, doen zelfstandige ontdekkingen en leggen nieuwe verbanden. Zij verbeteren hun denkvaardigheden.[12]

Wanneer kinderen zelf vragen mogen stellen in het creatieve proces ontstaat wat Wegerif[13] noemt de creatieve dialoog [vrije vertaling van dialogic creative talk]. 
Deze creatieve dialoog start bij het denken in mogelijkheden  en gaat over de vraag “Wat als?”. Om van creativiteit type 1 te komen naar creativiteit type 2 zijn reflecterende en stimulerende vragen nodig. De vorm van de vragen zijn onder te brengen in het CREATE[14] ezelsbruggetje. Deze vragen moedigen het maken van verbindingen aan tussen gedachten en verbeeldingen die nog niet eerder waren gemaakt, aldus Wegerif.

Combine                   Kun je er een ander deel aan toevoegen? Kun je ideeën of  doelen samenvoegen?
Rearrange                Kunnen delen veranderd worden of verplaatst?
Eliminate                  Wat zou je weglaten of vervangen – gedeeltelijk of als geheel? Kun je het vereenvoudigen?
Adapt                         Hoort het ergens bij? Waar lijkt het op?
Try another use        Is het ergens anders te gebruiken? kan het ergens anders voor dienen als je iets veranderd?
Extend          
            Wat kun je eraan toevoegen? Woorden, plaatjes, symbolen, functies, decoraties, logo’s, enz.

Implicaties voor het onderwijs: Creatieve processen begeleiden

Om creatieve processen te kunnen begeleiden is het niet alleen noodzakelijk dat een leerkracht kennis heeft van algemene didactiek en vakdidactiek, maar ook kennis ontwikkelt over creativiteit en hoe dit te stimuleren bij kinderen.  Deze kennis bestaat uit metacognitieve kennis over creatieve processen in het algemeen en over zijn eigen creatieve vaardigheden.

Samen met de vakdidactische kennis is de leerkracht in staat om zijn kennis over creativiteit te vertalen naar het ontwikkelingsniveau en de belevingswereld van de verschillende leerlingen. Paragraaf 7 beschrijft de  bekwaamheden en indicatoren voor het begeleiden van creatieve processen van kinderen in het basisonderwijs.


[1] De Bode & Nijman, 2014.

[2] Craft, 2005.

[3] Jeffrey & Craft, 2004.

[4] Cremin, Craft & Clack, 2012.

[5] Woods (2002) in Craft, 2005.

[6] De Bode & Nijman, 2014.

[7] Cremin, 2013.

[8] Cremin, Burnard & Craft, 2006.

[9] Craft, McConnon, & Matthews, 2012.

[10] Cremin, Burnard & Craft, 2006.

[11] De Bode & Nijman, 2014.

[12] Rothstein & Santana (2011) in De Bode & Nijman, 2014.

[13] Wegerif, 2010

[14] Wegerif, 2010, p.50.