Creatieve processen

Hoe verlopen creatieve processen? Wat is daarover bekend?

Creatieve processen

Over de manieren waarop creatieve producten tot stand komen is veel geschreven.[1] Veel theorieën beschrijven een aantal stappen waaruit creatieve processen zouden (kunnen) bestaan. Hierna worden de modellen uitgelicht die horen bij de definities van creativiteit die in paragraaf 1 zijn genoemd.

Creatief proces in vier fasen, SLO

SLO onderscheid bij creatieve processen vier fasen; oriënteren, onderzoeken, uitvoeren en evalueren.

  1. Bij oriënteren gaat het er om dat de leerling geprikkeld wordt om de opdracht en het thema te verkennen.
  2. Vervolgens onderzoekt de leerling verschillende mogelijkheden en oplossingen voor de opdracht of de verwerking van het thema.
  3. Wanneer de leerlingen de fase van onderzoeken hebben doorlopen maken ze gebruik van de vakspecifieke kennis en vaardigheden die zij nodig hebben voor het uitvoeren van de opdracht.

In een volgende fase wordt het product en het doorlopen proces nader beschouwd. Er worden leerpunten geformuleerd die de opstart vormen voor een volgende opdracht en een volgend creatief proces. Dit is de fase van evalueren.

SLO stelt dat deze fasen niet altijd scherp gescheiden zijn, maar soms in elkaar overlopen of door elkaar heen lopen. Het reflecteren is onderdeel van iedere fase van dat proces en zorgt ervoor dat de leerling gestimuleerd wordt om na te denken over zijn keuzes, de zeggingskracht van zijn werk of over de gebruikte materialen en technieken.

Een leerkracht of een leerling kan er ook voor kiezen zich te beperken tot één enkele fase van het proces. Dit gebeurt bijvoorbeeld wanneerleerlingen kennis en vaardigheden moeten verwerven ten aanzien van technieken en materialen die nodig zijn voor de verwerking van een volgende opdracht (accent op onderzoeksfase) of wanneer een beschouwingsles gegeven wordt (accent op oriëntatiefase). Het kan zijn dat de leerling, gezien zijn ontwikkeling op dat moment, steeds dezelfde fase herhaalt bijvoorbeeld om reproductieve vaardigheden te oefenen, zoals zingen of spelen (uitvoerende fase).

Uitgangspunt is dat deze 'afzonderlijke' fasen steeds uitgevoerd worden binnen

het cyclische creatieve proces. Dat hoeft niet lineair te verlopen. Leerlingen grijpen soms terug naar een eerder doorlopen fase omdat ze bijvoorbeeld vastlopen.

Meer informatie over de verschillende fasen die door de SLO worden onderscheiden, is te vinden op: SLO: fasen creatief proces

Het creatief procesmodel, De Jong

De Jong spreekt over negen stappen van het creatief proces; kaderen, waarnemen en focussen (samen: de verkenning; problemfinding), verbeelden en divergeren (samen het creatief denken), experimenteren, convergeren, vormgeven en presenteren (samen: de oplossing; problemsolving).

tabel tabel

De volgorde van de stappen ligt niet vast, maar kent in de werkelijkheid een heel grillig verloop.[2] Iedere stap kan zelfs een aantal malen terugkomen binnen één proces. Soms komen enkele stappen niet aan bod.

Sommige mensen doorlopen een creatief proces individueel, maar het komt vaker voor dat op verschillende momenten in het proces anderen betrokken raken. Het kan zelfs voorkomen dat iedere stap door meerdere mensen wordt uitgewerkt. Samenwerken kan meerwaarde opleveren; als ieder zijn eigen kwaliteiten inzet kunnen de producten beter worden.
Creatiewijzer en gebruik

Creatieve processen en de rol van de emotie, Christophe en Dijksterhuis

Je kunt je ook afvragen hoe je aan inspiratie voor creativiteit komt. Is het iets dat je wel of niet hebt, of moet je er een hoop (onbewuste) arbeid voor verrichten? Dijksterhuis en Christophe hebben daarover gepubliceerd.

Inspiratie is niet iets dat je wel of niet hebt, schrijft Dijksterhuis. Een Eureka- ervaring is de uitkomst van een hoop onbewuste arbeid. Het heeft dus te maken met bewuste en onbewuste processen. Als er geen inspiratie is, dan was het onbewuste gewoon iets anders aan het doen. Het creatieproces start onbewust; het bewuste kan gedrag niet starten, maar wel stoppen. We zijn ons eigenlijk van heel weinig bewust; alleen van onze bewuste processen. Door bewust te exploreren kan het onbewuste meer zeggingskracht krijgen. En zo kan de intuïtie haar ruimte behouden, bij creatieve processen.[3]

Christophe[4] onderscheidt een elftal fasen in het creatief maakproces. De incubatie- en intuïtiefase doen denken aan de uitspraken van Dijksterhuis. De overige fasen worden hierna kort uitgelegd. Het zijn unieke, dynamische processen die niet lineair verlopen.

In de (lichamelijke) sensatiefase ontstaat de drang om iets te doen; te maken.

In de realisatiefase is nog niet bekend wat er gemaakt wordt, maar wordt wel duidelijk welke kant het op zal gaan. Tijdens de voorbereidingsfase wordt nagedacht over wat nodig is (mensen, materialen, geld, ruimte, enz). Onderzoek over de inhoud wordt gedaan in de saturatiefase. In deze inhoudelijke voorbereidingsfase kunnen vragen worden gesteld als ‘Bestaat het product al?’, ‘Is er iets bekend over het thema?’ en ‘Is het wel mogelijk om het te maken?’

Na de eerste voorbereidingen kan de frustratiefase ontstaan. Men wil aan het werk, maar door een veelvoud aan redenen kan er frustratie ontstaan. De incubatiefase is de fase van schijnbare rust, de tijd waarin men er opzettelijk niet mee bezig is, waarin onbewuste denkprocessen plaats vinden en de eerdere activiteiten worden verwerkt. Na de incubatiefase volgt de intuïtiefase. De iIlluminatiefase is de fase van het Eureka-moment, het idee, en de fase waarin beide hersenhelften aan het werk zijn. Voor het uitwerken wordt het idee eerst beoordeeld in de evaluatiefase om het daarna uit te werken en uit te testen in de verificatiefase. In de laatste fase, de acceleratiefase, vindt een versnelling plaats, vaak dankzij de deadlines.

Dynamisch maakmodel, Nirav Christophe 2006

Fase 5

Fase 1

Fase 2

Fase 3

Fase 4

Fase 6

Fase 7

Fase 8

Fase 9

Fase 10

Fase 11

Sensatie

Een vaag idee of probleem hebben

Realisatie

Inzicht in en formulering van het probleem

Preparatie

Voorbereiding

Saturatie

Verzamelen van materiaal

Frustratie

Incubatie

Broedperiode

Intuïtie

Illuminatie

Inzicht

Evaluatie

Verificatie

Uitwerking

Acceleratie

Versnelling, vaak door deadlines

Pope

2005

Edwards

1986

Wallas

1926

Edwards

1986

Vanosmael

& de Bruijn 1990

Wallas

1926

Policastro

1995

Wallas

1926

Czikszent-

mihalyi

1996

Wallas

1926

Christophe

& Duijns

2006

Meer op Studentportal.hku.nl

Implicaties voor het onderwijs: inzicht in creatieve processen

Hoe meer kennis je hebt over creatieve processen, hoe meer tools je in handen hebt om leerlingen te kunnen begeleiden. De hiervoor beschreven modellen zijn hulpmiddelen om in de praktijk vanuit één visie en één taal het proces van leerlingen te begeleiden. Je kunt kiezen voor het gebruik van één model, bijvoorbeeld voor de theorie van de vier fasen van de SLO, het creatief procesmodel van De Jong of het dynamisch maakmodel van Christophe. Maar een combinatie van modellen is ook mogelijk, omdat ze elkaar eigenlijk aanvullen.

Als er een model gekozen is, moeten mensen daarmee ook leren werken. De meest effectieve manier om dat te leren, is het model op te splitsen in kleine delen en daarna samen de volgorde en samenhang bediscussiëren.[5]

Terugkijken op afgeronde processen kan, door de processen m.b.v. afbeeldingen visueel te maken. In feite is iemand die op deze manier terugkijkt bezig met het ontwikkelen van zijn metacognitieve vaardigheden. Meer informatie hierover is te vinden in paragraaf 4.

Bij het creatiefproces model kan dat aan de hand van de kaarten van de creatiewijzer. De lachende gezichten tonen de mensen die meewerkten (groepje of individueel werk). In praktijk zal het begeleiden van creatieve processen een zoektocht blijven, omdat ieder proces anders is. Ook is ieder mens anders; de ene leerling zal meer creatieve denkvaardigheden bezitten, de ander is meer praktisch vaardig. Het onderwijs kan zich richten op die verschillende talenten door leerlingen bewust met regelmaat samen te laten werken.

tabel


[1] Osborn, 1953; De Bono, 1967; Bransford & Stein, 1984; Majaro, 1992; Lee & Cho, 2007; Reid & Solomonides, 2007; Villalba, 2010.

[2] Pamela Burnhard en Betty Anne Younker (2004) benadrukken ook het niet-cyclische karakter, het niet- lineaire maar grillige verloop.

[3] Dijksterhuis (2007) in Van der Sloot, 2011

[4] Cristophe, 2012.

[5] Bolhuis en Simons, 1999.