Kwaliteit is het enige legitieme criterium van subsidie voor kunst

sociallinksheader

Volg ons
  • linkedin
opinie

Kwaliteit is het enige legitieme criterium van subsidie voor kunst

opinie

auteur
Daniela Hooghiemstra
datum
13 september 2018
Door Daniela Hooghiemstra • 13 september 2018 • Leestijd: 3 min

De directeuren van zes cultuurfondsen zetten vaart achter een meer inclusief beleid, zo kondigden zij aan. Daniela Hooghiemstra las hun artikel met verbazing. Waarom hebben zij het niet over de culturele waarde die met hun nieuwe beleid gemoeid gaat? Waar blijft hun nieuwe visie op te subsidiëren kunst?

Zoals een overheid moet zorgen voor het onderwijs, moet zij ook voorwaarden scheppen voor cultuur. Als uiting van wie wij zijn, waren en willen worden, verdienen literatuur, geschiedenis, theater, film, beeldende kunst en muziek steun van de staat. Anders dan Eric Wiebes, die cultuur beschouwt als een ‘hobby net zoals de motorcross’, leek mij dat altijd vanzelfsprekend. 

Tot ik onlangs in NRC Handelsblad een ingezonden stuk las van de directeuren van zes rijkscultuurfondsen die overheidssubsidies in de cultuursector verdelen. ‘Het is tijd voor niet-vrijblijvende doorbraken,’ kondigden zij aan. 

Onder de indruk van deze slagvaardige taal, maar mij intussen afvragend of uit de geschiedenis voorbeelden bekend zijn van doorbraken die wél vrijblijvend waren en of één doorbraak doorgaans niet gewoon genoeg is, las ik verder. ‘Diversiteit van makers en publiek en pluriformiteit van uitingen hebben topprioriteit in de periode die voor ons ligt,’ stond er. 

Vragen, vragen, vragen 

Nu had ik nog meer vragen. ‘Diversiteit’ en ‘pluriformiteit’ waarin en van wat? Snel verder lezen. ‘Veel meer en onderling verschillende mensen moeten theater- en concertzalen en musea kunnen vinden.’ 

Het kunnen vinden van een bestemming leek mij anno 2018 niet het probleem, en waren degenen die daar tot nu wel in slaagden, onderling dan niet verschillend? Ik hoopte op antwoorden, maar wat kwam, was een waarschuwing: ‘We vergeten het wel eens, maar ook Nederland is verplichtingen aangegaan in een Unesco-verdrag over de diversiteit en pluriformiteit van cultuuruitingen.’ 

Niet alleen was ik dat vergeten, ik had ook geen idee wat die afspraken inhielden. Ik las verder. Met ‘lede ogen’ zagen de directeuren van de fondsen soms aan hoe het ‘gepolariseerde maatschappelijke debat mensen eerder in een hokje plaatst, dan eruit bevrijdt.’ 

Een debat dat ‘mensen eerder in een hokje plaatst dan hen bevrijdt’ is op zich al een curieus gegeven, maar bovendien: om welke mensen ging het, om welk hokje en om welk debat? In de volgende alinea werden ‘gezamenlijke acties’ aangekondigd, dus misschien zou ik het dan gaan begrijpen.
 

Onbegrijpelijke doorbraak 

De directeuren wilden budget vrij maken om ‘verhalen die nu niet gehoord worden, te vinden en te steunen’. Mijn 15-jarige dochter zou vast blij zijn met dit nieuws, maar als criterium voor kunst leek ‘niet gehoord worden’ mij ongeschikt. 

Jongeren zijn ‘experts in diversiteit,’ ging het stuk verder, hun vernieuwende kracht ‘omarmt de veranderde samenstelling van de maatschappij.’ Hoewel nu eindelijk duidelijk werd waar het om ging, de multiculturele samenleving, was de bewering over jongeren onjuist. Uit onderzoek blijkt dat zij daartegenover namelijk juist steeds kritischer staan. Maar goed, ik begreep nu de boodschap: ook personen met een migratieachtergrond moeten van subsidies kunnen profiteren. Omdat de directeuren zulke moeilijke zinnen maakten, wist ik alleen nog steeds niet of ik van de ‘niet-vrijblijvende doorbraken’ nu wel of geen voorstander was. ‘We willen voorbij aan de toon van de discussie waarin niet zelden een valse noot klinkt, bijvoorbeeld dat selectie van kunstenaars met een andere culturele achtergrond kunstmatig zou zijn,’ stond er. Misschien, dacht ik, is de bedoeling van een niet-vrijblijvende doorbraak ook juist dat niemand het begrijpt, zodat zij doorgang kan vinden. 

Waar blijft de nieuwe visie op kunst? 

Maar het meest verbazingwekkende was dat het nog steeds niet over kunst ging. De directeuren zijn benoemd om in Nederland cultuurgoed te stimuleren. Dan mag je verwachten dat zij een opvatting hebben over de vraag welk cultuurgoed de moeite waard is en waarom, zeker als zij ‘doorbraken’ aankondigen. Maar allengs werd mij duidelijk dat de revolutie die in de cultuursector op uitbreken staat, niet een nieuwe visie op het te subsidiëren werk betreft, maar op het managen daarvan. De ‘niet-vrijblijvende doorbraken’ gaan niet over een nieuwe visie op kunst, maar over de nieuwe, maatschappelijke wijze waarop de directeuren zich willen profileren. 

Over de kwaliteit van kunst valt nooit een laatste woord te zeggen. Toch is en blijft die voor de toekenning van subsidie het enig legitieme criterium. Fondsen moeten de moed en de expertise hebben om daarop een visie te ontwikkelen en die onder woorden te brengen. Het aankondigen van ‘doorbraken’ zonder dat de culturele waarde die daarmee gemoeid is, gedefinieerd wordt, maakt het moeilijk om het door de overheid gemaakte onderscheid tussen kunst en motorcross te blijven verdedigen. 


Dit artikel werd eerder gepubliceerd door de Volkskrant.