Afscheid Folkert Haanstra

datum:
15 december 2015
locatie:
Utrecht
Folkert haanstra

Ter ere van het afscheid van Folkert Haanstra als Bijzonder Hoogleraar Cultuureducatie en Cultuurparticipatie aan de Universiteit Utrecht, organiseerde het LKCA het symposium Kunst Leren Onderzoeken. Aansluitend hield Haanstra zijn afscheidslezing. Hij bekleedde de door het LKCA ingestelde leerstoel 15 jaar.

Symposium Kunst Leren Onderzoeken

Ocker van Munster (LKCA) opende het symposium met een dankwoord aan Folkert Haanstra, waarna Teunis IJdens (LKCA) als moderator de thema’s van het symposium introduceerde. De drieslag Kunst, Leren en Onderzoeken stond centraal op het symposium. Thema’s die het werk van Folkert Haanstra als bijzonder hoogleraar karakteriseren. Kees Vuyk (Universiteit Utrecht), Melissa Bremmer (Amsterdamse Hogeschool voor de Kunsten) en Koen van Eijck (Erasmus Universiteit Rotterdam) reflecteerden elk vanuit hun eigen expertise op de drie thema’s Kunst, Leren en Onderzoeken.

Vuyk sprak over de educatiewaarde van kunst, volgens hem de oudste functie van kunst. In zijn presentatie zocht hij een antwoord op de vraag hoe deze functie in de huidige tijd gestalte krijgt en moet krijgen. Bremmer ging vervolgens in op de theorie van pedagogical content knowlegde. Ze liet zien op welke wijze de pedagogical content knowledge van vakleerkrachten muziek zich manifesteert in het lichaam en waarom het lichaam van deze vakleerkrachten van belang kan zijn in het muzikale leerproces van leerlingen. Als derde spreker ging Van Eijck in op de vele beperkingen die empirisch onderzoek naar cultuureducatie en cultuurparticipatie kent. Hij pleitte voor de onderzoeksmethode theory-based evaluation, omdat met deze methode niet alleen naar effecten maar ook naar omstandigheden, processen en context wordt gekeken. 

Folkert kreeg vervolgens de gelegenheid te reageren op de drie presentaties. Aansluitend gingen de sprekers onder leiding van Teunis IJdens in gesprek met elkaar en met het publiek.

Discussie

Teunis IJdens haalde vervolgens uit ieder referaat een gesprekspunt naar voren, waarna Folkert de gelegenheid kreeg op deze punten en op de presentaties te reageren. 

Het eerste gesprekspunt betrof de nadruk op de receptieve en reflectieve kant van kunstervaring in het referaat van Kees Vuyk. Waar blijft het productieve aspect? Over Vuyks visie op de educatieve functie van kunst merkte Folkert op dat Vuyk zich daarmee schaarde in een rijtje van evolutionaire theorieën van kunst die uitgaan van bijvoorbeeld de seksuele, de sociale of de cognitieve functie van kunst. Volgens Folkert is de beste kunsteducatie wanneer er zowel aandacht is voor het receptieve als het productieve aspect. Verder wees hij erop dat ook in het huidige onderwijs nog steeds aandacht is voor de boodschap van kunst en niet alleen voor technische aspecten. 

Discussiepunt naar aanleiding van het referaat van Melissa Bremmer was de vraag of de ‘embodied cognition’ benadering vooral voor muziek, dans en drama geldt, of ook voor de beeldende vakken, en voor bijvoorbeeld taal- en geschiedenisonderwijs. Folkert benadrukte het belang van Bremmers onderzoek. In tegenstelling tot de meeste theorievorming over lichamelijkheid keek zij met haar onderzoek nu een keer naar de docerende en niet naar de lerende. Met een verwijzing naar zijn eigen opleiding aan de kunstacademie vroeg hij zich wel af of het embodied aspect van onderwijzen voor alle vakken van even groot belang is.

Naar aanleiding van het referaat van Koen van Eijck stelde  de moderator de vraag of onderzoek naar effecten van kunsteducatie niet te veel gedaan wordt om het belang van kunsteducatie te ondersteunen (legitimatie), terwijl zulk onderzoek beter ingezet zou kunnen worden om de kwaliteit van kunsteducatie te versterken. Folkert schaarde zich achter het pleidooi van Van Eijck voor zorgvuldig, theoriegestuurd evaluatieonderzoek naar effecten van kunsteducatie, waarin procesvariabelen centraal staan. Dat biedt docenten en andere professionals inzicht in hoe het werkt en daarmee de mogelijkheid om er zelf iets mee te doen. Onderzoek naar transfereffecten van kunsteducatie is vaak theorieloos en kijkt ook niet of kunsteducatie effectiever en doelmatiger is dan andere interventies, bijvoorbeeld om prestaties van leerlingen op andere gebieden te bevorderen. Hij sloot zich dan ook aan bij de suggestie van IJdens om  schaarse onderzoeksgelden liever te besteden aan onderzoek naar ‘kunsteigen’ en unieke leereffecten van kunsteducatie dan aan onderzoek naar transfereffecten.  

Nadat Folkert was vertrokken om zich voor te bereiden op zijn afscheidscollege gaven de sprekers nog een korte reactie op Folkerts reflectie. En de laatste vijf minuten stelde het publiek enkele vragen aan de drie sprekers.

Aansluitend afscheidscollege Folkert Haanstra 

Een half uur na het symposium hield Folkert zijn afscheidscollege in de Aula van het Academiegebouw van de Universiteit Utrecht. Het afscheidscollege droeg de titel 'Wat neemt de leerling mee van kunsteducatie?' Folkert wierp daarin een blik op zijn bijdrage aan 40 jaar wetenschappelijk onderzoek naar gewenste en bereikte effecten van kunsteducatie en naar manieren om die effecten te meten en te beoordelen. Hij deed dit aan de hand van de verschillende rollen die hij als onderzoeker speelde: die van sceptische buitenstaander, van betrokken wetenschapper en van idealist.

Speciaal nummer Cultuur+Educatie

Het afscheidscollege van Folkert en de drie presentaties op het symposium vormen samen de inhoud van nummer 44 van het tijdschrift Cultuur+Educatie. Dit speciale nummer verschijnt in maart 2016.