mail of bel voor vragen 030 711 51 00

Directeur LKCA

'Naar een opener en vragender instituut.' Die doelstelling sprak Sanne Scholten uit. Sinds 1 juni 2016 is zij directeur van het LKCA. Hiervoor werkte zij bij Stichting Rotterdam Sportsupport, een lokaal servicepunt voor de Rotterdamse breedtesport. Wat zijn haar plannen en ambities met dit instituut?

Sanne Scholten foto: Lilian van RooijJe komt vanuit de lokale praktijk, hoe zie je de rol van een landelijk kennisinstituut?

‘De lokale praktijk wordt, mede onder invloed van decentralisaties, steeds belangrijker. Daarmee is het lastiger voor een landelijk instituut en voor de landelijke overheid om daar verbinding mee te houden. Maar dat is wel noodzakelijk. Een landelijk kennisinstituut moet aan de ene kant een beschouwer en analist van het geheel zijn, maar moet tegelijkertijd met zijn voeten in de klei staan. Ik ben me er heel goed van bewust hoe de lokale praktijk sceptisch tegenover een landelijk instituut kan staan. Stichting Rotterdam Sportsupport is een voorloper in de breedtesport en daar heb ik meegemaakt dat een nieuw initiatief van ons door een landelijk kenniscentrum werd opgepikt en uitgedragen. Op zich mooi, maar daar heb je als voorloper zelf weinig aan. Aan de andere kant heb ik ook meegemaakt dat medewerkers van een kenniscentrum als sparringpartners met ons in gesprek gingen, waardoor we samen vooruit konden.‘

Hoe ga je dat aanpakken? 

‘Het woord ‘samen’ is voor mij cruciaal. Alle medewerkers moeten de ruimte hebben om eigen netwerken op te bouwen, iedereen moet regelmatig de deur uit. En we moeten ons kwetsbaar opstellen en naar de praktijk luisteren: Wat willen jullie? Wat hebben jullie nodig? Dat betekent dat we ook flexibel zullen zijn en tijd moeten hebben om op die vragen in te gaan. Mijn droom is dat het over vier jaar ondenkbaar is dat het LKCA er niet meer zou zijn als directe gesprekspartner van de praktijk.’

Zie je parallellen tussen de sport- en cultuursector?

‘Ja absoluut, maar ik zie ook verschillen en daarin kunnen we denk ik veel van elkaar leren. Ik vind het bijzonder dat er in de cultuursector relatief veel aandacht naar de top gaat, terwijl er zo ontzettend veel mensen in hun vrije tijd aan kunst doen. Waarom is dat zo weinig zichtbaar? Bij sport heb je het over sporters en topsporters. Waarom staat tegenover kunstenaar dan amateurkunstenaar? Er lijkt een kloof tussen die twee werelden te zitten. In de sport leeft het  bewustzijn dat elke topsporter is begonnen als een breedtesporter. Topsport leunt op die breedtesport, dat hoort onlosmakelijk bij elkaar als onderdeel van dezelfde piramide. Ik denk dat de hele cultuursector sterker staat als daar ook die breedte meer zichtbaar wordt.’

Je bent moeder van twee schoolgaande kinderen. Hoe zie je cultuur in het onderwijs?

‘Onderwijs moet een plek zijn voor brede ontwikkeling. Hoe voorkomen we dat je daar alleen leert lezen en schrijven? Onlangs sprak ik met iemand uit het onderwijs die zei ‘niet iedereen houdt van sport en cultuur.’ Klopt, maar ook niet iedereen houdt van Duits. Toch staat dat vak niet ter discussie. Waarom sport en cultuur dan wel? Als een kind een taalachterstand heeft, zijn er allerlei instanties die ingrijpen. Maar er is mij nooit gevraagd of mijn kinderen wel participeren in beweging en expressie. Er zijn genoeg kwetsbare gezinnen waarin kinderen die kans nooit krijgen en ik denk dat we dat ook als risicofactor moeten zien voor hun ontwikkeling en participatie in de samenleving. Ook dan zouden we moeten ingrijpen.’ 


Foto: Lilian van Rooij