Decentraal onderwijsbeleid? Leer van de ervaringen met cultuureducatie

sociallinksheader

Volg ons
  • linkedin
opinie

Decentraal onderwijsbeleid? Leer van de ervaringen met cultuureducatie

opinie

auteur
Ronald Kox
datum
11 januari 2018
Door Ronald Kox • 11 januari 2018

De Onderwijsraad pleit voor een grotere vrijheid voor gemeenten op onderwijsgebied. Bezint eer ge begint, waarschuwt Ronald Kox. Decentralisatie heeft de cultuureducatie bepaald geen goed gedaan. De kansenongelijkheid is er groter door geworden.

Begin september 2017 verscheen het rapport Decentraal Onderwijsbeleid bij de tijd van de Onderwijsraad. De Raad pleit voor een herbezinning op de rol van de gemeenten in het onderwijsbeleid. In aansluiting op het gedecentraliseerde jeugdzorgbeleid. Ook binnen het onderwijsbeleid kunnen gemeenten een grotere rol en vrijheid krijgen, stelt de Raad, hoewel er zeker ook taken op rijksniveau zullen overblijven. 

Op het eerste oog mooie plannen, waar de Vereniging van Nederlandse Gemeenten natuurlijk graag op in gaat. Maar bezint eer ge begint! Levert decentralisatie voldoende kansen op voor alle kinderen om hun talent te ontwikkelen? En wat waren de ervaringen met de decentralisatie van de buitenschoolse cultuureducatie? Kunnen we daarvan leren? 

De Raad focust op cognitie, niet op alle talenten 

Het rapport van de Onderwijsraad gaat opmerkelijk genoeg vooral over de aansluiting op de arbeidsmarkt en de jeugdhulpverlening. Daar lijkt een neo-liberale opvatting aan ten grondslag te liggen. Namelijk dat in onze samenleving onderwijs er vooral toe dient om zo goed mogelijke arbeidskrachten op te leiden. Met het liefst zo min mogelijk collectieve kosten aan verlengde studies, ziekte of werkeloosheid. Focus op de cognitieve talenten dus, maar niet op alle talenten. 

Dit sluit niet aan bij wat we in de discussie rond het nieuwe nationale curriculum weer eens benadrukt kregen: onderwijs is meer dan alleen maar het aanleren van cognitieve vaardigheden. Want weet u het nog? Leerlingen moeten Waardig, Aardig en Vaardig worden, zoals de commissie Schnabel het omschreef. 

De Raad legt nu een heel ander accent. De nadruk lijkt meer komen te liggen op de wens van gemeenten om het onderwijs te zien als vindplaats van problematische jongeren. Jongeren waar de gemeente iets mee moet. Waarbij nog onduidelijk is of de

bijsturing die daarop volgt weer een taak erbij is voor het onderwijs in het kader van Passend Onderwijs, of dat gemeenten meer professionele zorgverleners inzetten om daarmee het onderwijs te ontlasten.

Hoe verliep de decentralisering van buitenschoolse cultuureducatie?

Stel dat het advies bedoeld is om het onderwijs te ontlasten. Om een aantal zaken in en rond het onderwijs via decentralisatie dichter bij de lokale gemeenschap onder te brengen. Dat doet denken aan de situatie rond de buitenschoolse cultuureducatie in de tweede helft van de vorige eeuw. 

Hoe zag die situatie eruit? In eerste instantie werkte het Rijk met geoormerkte budgetten voor cultuureducatie. Daarmee konden gemeenten invulling geven aan kunst- en cultuureducatie die niet binnen de scholen verzorgd kon worden. Er kwamen Rijkserkende muziekscholen en creatieve centra, met een budget, een eigen bijlage in de gemeente-cao en de verplichting om met bevoegde docenten te werken. 

Dit veranderde een aantal jaar later onder druk van de maatschappelijke en politieke ontwikkelingen. 

  • Het geoormerkte budget ging naar de lumpsum bekostiging,
  • Rijkserkenning en buitenschoolse inspectie verdwenen, en daarmee de verplichting om te werken met bevoegde docenten, 
  • En uiteindelijk verdween door bezuinigingen en herschikkingen veel van de gemeentelijke ondersteuning voor buitenschoolse cultuureducatie. 

Met als gevolg dat het garanderen van kwaliteit van lesinhoud en docent voor de leerling (en zijn of haar ouders) nu eigenlijk niet meer mogelijk is. Met grotere kansenongelijkheid als resultaat. Hoe je nog les kunt krijgen in kunst en cultuur hangt tegenwoor

dig sterk af van wie je ouders zijn en waar je huis staat. Niet voor niets roept het LKCA in haar handreiking Basis voor Cultuureducatie op om hierover in gesprek te gaan met gemeenten, onderwijs en culturele sector.

Veel goede intenties, weinig actie 

Uit die gesprekken blijkt dat er veel goede intenties zijn, maar weinig neiging tot actie. Het is dus maar de vraag hoe snel er iets zal gebeuren aan die kansenongelijkheid die kinderen in Nederland hebben op het gebied van kunst en cultuur. Het blijkt lastig het tij te keren. 

Gaan we nu ook nog meer kansenongelijkheid creëren in het reguliere onderwijs? Zoals dat ook in de buitenschoolse cultuureducatie is gebeurd? Laten we dan zeer goed bij de les blijven. Want dat  kan betekenen dat de ontwikkeling van je talenten anders dan de vaardigheden die je als goed werknemer nodig hebt, steeds sterker af gaan hangen van in welk gezin en in welke gemeente je geboren bent.


Ik kan me niet voorstellen dat de Onderwijsraad en de gemeenten dat laten gebeuren. Zij moeten de lessen uit het verleden ter harte nemen. Maar gemeenten zullen dit niet alleen kunnen. Dit vraagt ook van het Rijk dat zij een eindverantwoordelijke blijft. Met duidelijk geoormerkte (en voldoende) budgetten en kaders waardoor gemeenten weten waar ze aan toe zijn. En met hulp van deskundigheid van scholen, instellingen en de maatschappij om de gemeenten daarbij te helpen. 

Vanuit het LKCA bieden we graag onze kennis en expertise aan. 

Foto: Carolien Coenen,
Flickr.com